ECLI:NL:HR:2001:AB1050

Hoge Raad

Datum uitspraak
6 april 2001
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
R00/105HR
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • R. Herrmann
  • H.A.M. Aaftink
  • P.C. Kop
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:685 BWArt. 101a RO
Verwijzingen
3 uitgaand · 3 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontbinding arbeidsovereenkomst en vergoeding op grond van wijziging omstandigheden

Verzoeker heeft bij het Kantongerecht Amsterdam ontbinding van zijn arbeidsovereenkomst met IFA geëist wegens aan IFA te verwijten wijziging van omstandigheden, met toekenning van een vergoeding van ƒ 98.027,84 bruto. De Kantonrechter ontbond de arbeidsovereenkomst per 1 september 1999 en kende een vergoeding van ƒ 40.000 bruto toe. IFA ging hiertegen in hoger beroep bij de Rechtbank Amsterdam.

De Rechtbank vernietigde het vonnis voor zover het de vergoeding betrof en stelde deze vast op ƒ 30.000. Tevens oordeelde de Rechtbank dat de Kantonrechter het beginsel van hoor en wederhoor had geschonden en bepaalde een datum voor voortzetting van de mondelinge behandeling. Verzoeker stelde beroep in cassatie in tegen beide beschikkingen van de Rechtbank.

De Advocaat-Generaal adviseerde het beroep tegen de tussenbeschikking te verwerpen en verzoeker niet-ontvankelijk te verklaren in het beroep tegen de eindbeschikking. De Hoge Raad volgde dit advies, verwierp het beroep tegen de tussenbeschikking en verklaarde verzoeker niet-ontvankelijk in het beroep tegen de eindbeschikking. De klachten tegen de eindbeschikking bevatten geen gronden om het rechtsmiddelenverbod te doorbreken.

Uitkomst: Verzoeker wordt niet-ontvankelijk verklaard in zijn beroep tegen de eindbeschikking en het beroep tegen de tussenbeschikking wordt verworpen.

Uitspraak

6 april 2001
Eerste Kamer
Rek.nr. R00/105HR
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[Verzoeker], wonende te [woonplaats],
VERZOEKER tot cassatie,
advocaat: mr. G. Jairam,
t e g e n
IFA EXPLOITATIE MAATSCHAPPIJ BENZINESTATIONS AMSTERDAM B.V., gevestigd te Amsterdam,
VERWEERSTER in cassatie,
advocaat: mr. E. Grabandt.
1. Het geding in feitelijke instanties
Met een op 11 juni 1999 ter griffie van het Kantongerecht te Amsterdam ingediend verzoekschrift heeft verzoeker tot cassatie - verder te noemen: [verzoeker] - zich gewend tot de Kantonrechter aldaar en ontbinding verzocht van de arbeidsovereenkomst wegens aan verweerster in cassatie - verder te noemen: IFA - te verwijten wijziging van omstandigheden met toekenning aan verzoeker van een vergoeding groot ƒ 98.027,84 bruto.
IFA heeft het verzoek bestreden.
De Kantonrechter heeft, na op 13 juli 1999 een mondelinge behandeling te hebben gehouden, bij beschikking van 23 juli 1999 de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 september 1999 ontbonden met toekenning van een vergoeding van ƒ 40.000,-- bruto, een en ander strekkende tot aanvulling van door [verzoeker] te ontvangen uitkeringen dan wel elders verdiend loon.
Tegen deze beschikking heeft IFA hoger beroep ingesteld bij de Rechtbank te Amsterdam.
Na een tussenbeschikking van 16 februari 2000 waarbij de Rechtbank voortzetting van de mondelinge behandeling heeft gelast, heeft de Rechtbank bij eindbeschikking van 7 juni 2000 het vonnis van de Kantonrechter vernietigd voor zover daarbij een vergoeding van ƒ 40.000,-- bruto aan [verzoeker] is toegekend en, opnieuw rechtdoende, de aan [verzoeker] toekomende ontbindingsvergoeding op ƒ 30.000,-- bepaald.
De beschikkingen van de Rechtbank zijn aan deze beschikking gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen de beschikkingen van de Rechtbank van 16 februari 2000 en van 7 juni 2000 heeft [verzoeker] beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
IFA heeft verzocht het beroep te verwerpen.
De conclusie van de Advocaat-Generaal E.M. Wesseling-van Gent strekt tot verwerping van het beroep voorzover dat is gericht tegen de tussenbeschikking van de Rechtbank van 16 februari 2000 en tot niet-ontvankelijkheid van [verzoeker] in zijn beroep voor zover dat gericht is tegen de eindbeschikking van de Rechtbank van 7 juni 2000.
3. Beoordeling van de middelen gericht tegen de tussenbeschikking van de Rechtbank van 16 februari 2000
3.1 Het gaat in dit geding om de ontbinding van een arbeidsovereenkomst tussen [verzoeker] en IFA op de voet van art. 7:685 BW Pro. In haar voormelde tussenbeschikking heeft de Rechtbank geoordeeld dat de Kantonrechter bij de totstandkoming van zijn beschikking het beginsel van hoor en wederhoor heeft geschonden en vervolgens een datum bepaald voor voortzetting van de mondelinge behandeling, waar de tweede grief van IFA aan de orde komt welke zich richt tegen de door de Kantonrechter aan [verzoeker] toegekende ontbindingsvergoeding van ƒ 40.000,--.
3.2 De tegen voormelde beschikking in de middelen 1 - 3 aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 101a RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep tegen de eindbeschikking van de
Rechtbank
[Verzoeker] kan niet ontvangen worden in zijn beroep voor zover dit is gericht tegen de eindbeschikking van de Rechtbank, nu de tegen die beschikking gerichte middelen 4 en 5 geen klachten bevatten die grond kunnen opleveren voor doorbreking van het rechtsmiddelenverbod.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep tegen de beschikking van de Rechtbank te Amsterdam van 16 februari 2000;
verklaart [verzoeker] niet-ontvankelijk in zijn beroep tegen de beschikking van die Rechtbank van 7 juni 2000.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren R. Herrmann, als voorzitter, H.A.M. Aaftink en P.C. Kop, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer W.H. Heemskerk op 6 april 2001.