ECLI:NL:HR:2001:AB0639
Hoge Raad
- Cassatie
- R.J.J. Jansen
- D.G. van Vliet
- P. Lourens
- Rechtspraak.nl
Niet-toekenning aftrek buitengewone last voor onderhoud familie in Kosovo
Belanghebbende kreeg voor het jaar 1997 een aanslag inkomstenbelasting opgelegd op een belastbaar inkomen van ƒ 52.692. Na bezwaar en beroep bij het Gerechtshof Amsterdam werd het beroep ongegrond verklaard. Belanghebbende stelde in cassatie dat een betaling van DM 15.000 aan familieleden in Kosovo aftrekbaar was als buitengewone last ter voorziening in het levensonderhoud.
De Hoge Raad overwoog dat volgens artikel 46, lid 1, letter a, sub 2°, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, dergelijke uitgaven alleen aftrekbaar zijn indien zij met schriftelijke bescheiden worden aangetoond en in geld of geldeenheden anders dan gulden zijn gedaan. In bijzondere omstandigheden, zoals het ontbreken van bancair verkeer met Kosovo, kan het onderhoud ook op andere wijze worden aangetoond dan door stortingsbewijzen.
Het Hof had echter geoordeeld dat belanghebbende geen bewijs had geleverd van daadwerkelijke doorbetaling van de gestorte marken, ondanks de onderhoudsverklaring van de burgemeester van Kosovo en de toelichting van belanghebbende. Dit oordeel was feitelijk en niet onbegrijpelijk, zodat de klachten in cassatie faalden.
De Hoge Raad wees het beroep af en veroordeelde belanghebbende niet in de proceskosten.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt dat de betaling niet aftrekbaar is wegens onvoldoende bewijs van daadwerkelijke doorbetaling.