ECLI:NL:HR:2001:AB0638
Hoge Raad
- Cassatie
- R.J.J. Jansen
- G.J. Zuurmond
- F.W.G.M. van Brunschot
- D.G. van Vliet
- P. Lourens
- Rechtspraak.nl
Beoordeling rechtsgeldigheid van aanslagbiljet inkomstenbelasting 1994
Belanghebbende kreeg voor het jaar 1994 een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd met een belastbaar inkomen van ¦ 784.886. Na bezwaar werd de aanslag gehandhaafd door de Inspecteur. Belanghebbende ging in beroep bij het Gerechtshof Amsterdam, dat het beroep ongegrond verklaarde en de aanslag bevestigde.
Belanghebbende stelde in cassatie dat de aanslag niet rechtsgeldig was omdat het aanslagbiljet niet vermeldde welke ambtenaar of welk hoofd van de eenheid de aanslag had vastgesteld, zoals vereist volgens artikel 19 lid 4 van Pro de Uitvoeringsregeling Belastingdienst. Volgens hem kon daardoor niet worden vastgesteld of het aanslagbiljet was opgelegd door een bevoegd bestuursorgaan.
De Hoge Raad oordeelde dat het ontbreken van de vermelding van de eenheid die de aanslag heeft vastgesteld niet verhindert dat het biljet als aanslagbiljet in de zin van artikel 5 van Pro de Algemene wet inzake rijksbelastingen wordt aangemerkt. Het Hof had bovendien vastgesteld dat de aanslag was vastgesteld door een ambtenaar van de eenheid Particulieren/Ondernemingen P. Verder vereist artikel 5 AWR Pro niet dat uit het aanslagbiljet kan worden afgeleid of degene die de aanslag heeft vastgesteld daartoe schriftelijk was gemachtigd conform artikel 19 lid 4 van Pro de Uitvoeringsregeling Belastingdienst.
De Hoge Raad verwierp het cassatiemiddel en verklaarde het beroep ongegrond. Er werden geen proceskosten aan belanghebbende toegekend.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en de aanslag inkomstenbelasting 1994 blijft gehandhaafd.