ECLI:NL:HR:2001:AB0509
Hoge Raad
- Cassatie
- R.J.J. Jansen
- G.J. Zuurmond
- A.E. de Moor
- D.G. van Vliet
- P. Lourens
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt naheffingsaanslag belasting personenauto's en motorrijwielen na vrijstellingsonderzoek
Belanghebbende heeft in 1993 een verzoek ingediend voor vrijstelling van belasting bij invoer van een verhuisboedel, waaronder een personenauto, op grond van de regeling vrijstellingen belastingen bij invoer (RVBI). De auto was in 1992 besteld en in 1993 geleverd, met gebruik in Polen en Spanje. De Inspecteur verleende een voorwaardelijke vrijstelling, maar stelde later een naheffingsaanslag op omdat niet aan de voorwaarden was voldaan.
De Inspecteur verleende bij bezwaar gedeeltelijke kwijtschelding van de verhoging, maar het Hof verklaarde het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Tariefcommissie niet-ontvankelijk en bevestigde de aanslag voor het overige. Belanghebbende stelde cassatieberoep in tegen deze uitspraak.
De Hoge Raad oordeelt dat op grond van artikel 4 lid 5 van Pro het Uitvoeringsbesluit belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 de belasting verschuldigd is indien de invoerrechten verschuldigd zijn. De uitspraak van de Tariefcommissie bevestigde dat de invoerrechten verschuldigd zijn, waardoor ook de belasting verschuldigd is. Het beroep faalt ook voor zover het wordt gebaseerd op een vermeende schending van artikel 6 EVRM Pro, omdat de belastingaanslag niet valt onder "determination of civil rights".
De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en legt geen proceskostenveroordeling op. Het arrest is gewezen door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad en in het openbaar uitgesproken op 14 maart 2001.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard en de naheffingsaanslag wordt bevestigd.