ECLI:NL:HR:2001:AB0161
Hoge Raad
- Cassatie
- A.G. Pos
- D.H. Beukenhorst
- L. Monné
- P.J. Van Amersfoort
- C.B. Bavinck
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt toepassing successietarief voor pleegkinderen conform Successiewet en EVRM
Belanghebbende stelde beroep in cassatie in tegen een uitspraak van het Gerechtshof Den Haag, dat de aanslag successierecht handhaafde op basis van een verkrijging uit de nalatenschap van haar pleegmoeder. Het geschil betrof de vraag of belanghebbende als pleegkind kon worden aangemerkt volgens artikel 19 lid 2 van Pro de Successiewet 1956, wat zou leiden tot toepassing van het lagere tariefgroep I.
Het Hof oordeelde dat belanghebbende niet gedurende ten minste vijf jaren uitsluitend door de erflaatster als eigen kind was onderhouden en opgevoed, waardoor het hogere tariefgroep III van toepassing was. Tevens stelde het Hof dat dit oordeel niet in strijd was met artikel 8 EVRM Pro, het recht op respect voor familie- en gezinsleven.
De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en verwierp het verweer dat de regeling in artikel 19 SW Pro in strijd zou zijn met artikel 8 EVRM Pro. De Hoge Raad stelde dat de regeling geen inbreuk maakt op het recht op gezinsleven, omdat de criteria voor het aanmerken als pleegkind niet leiden tot een onaanvaardbaar dilemma of belemmering van het gezinsleven. De Hoge Raad verklaarde het beroep ongegrond en wees proceskostenveroordeling af.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond en bevestigt het hogere successietarief voor belanghebbende.