ECLI:NL:HR:2001:AA9623

Hoge Raad

Datum uitspraak
24 januari 2001
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
35659
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • E. Korthals Altes
  • D.H. Beukenhorst
  • L. Monné
  • P.J. van Amersfoort
  • C.B. Bavinck
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 42 lid 3 Wet op de inkomstenbelasting 1964Art. 8:75 Algemene wet bestuursrecht
Verwijzingen
1 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt dat fabrieksaccessoires op auto meetellen voor catalogusprijs bij privévoordeel

Belanghebbende kreeg van zijn werkgever een nieuwe personenauto ter beschikking gesteld die vóór de kentekenafgifte door de dealer was voorzien van diverse accessoires. Deze accessoires waren afkomstig van de fabrikant en stonden vermeld in de Nederlandse prijslijst van de fabrikant. De Belastingdienst legde een navorderingsaanslag op waarbij de catalogusprijs van de auto inclusief deze accessoires werd meegenomen.

Het Gerechtshof Leeuwarden vernietigde het bezwaar tegen deze navorderingsaanslag en beperkte de aanslag tot een iets lager belastbaar inkomen. Belanghebbende stelde cassatieberoep in tegen deze uitspraak. De Hoge Raad overwoog dat de wetgever bij de bepaling van het privévoordeel van een ter beschikking gestelde auto aansluiting heeft gezocht bij de catalogusprijs zoals vastgesteld door de fabrikant.

De Hoge Raad bevestigde dat indien accessoires vóór de kentekenafgifte door dealer of importeur zijn aangebracht en in de fabrieks- of importeursprijslijst zijn opgenomen, deze accessoires meetellen voor de catalogusprijs. Alleen accessoires die niet in die prijslijst voorkomen of na kentekenafgifte zijn aangebracht, kunnen buiten beschouwing blijven. Het cassatieberoep werd ongegrond verklaard.

Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt dat fabrieksaccessoires in de catalogusprijs worden meegenomen.

Uitspraak

Nr. 35659
24 januari 2001
YS
gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden, nr. 708/97, van 24 september 1999 betreffende de hem over het jaar 1993 opgelegde aanslag tot navordering van inkomstenbelasting/premie volksver-zekeringen.
1. Aanslag, navorderingsaanslag, bezwaar en geding voor het Hof
Aan belanghebbende is aanvankelijk voor het jaar 1993 een aanslag inkomstenbelasting/premie volksver-zekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van f 175.256,--. Vervolgens is hem over dat jaar een navorderingsaanslag opgelegd naar een belastbaar inkomen van f 182.708,--, zonder verhoging, welke navor-deringsaanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.
Belanghebbende is van de uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij het Hof.
Het Hof heeft die uitspraak vernietigd en de navorderingsaanslag verminderd tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen van f 182.412,--. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
3. Beoordeling van het middel
3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. Aan belanghebbende is door zijn werkgeefster een nieuwe personenauto (hierna: de auto) ter beschikking gesteld. De auto is in juli 1992 - vóór afgifte van het kentekenbewijs deel I - voorzien van een aantal accessoires. Door de dealer zijn, voorzover thans van belang, de volgende accessoires aangebracht: aluminium wielen met 225/70 banden, uitbreiding binnenverlichting, buitentemperatuurmeter, armsteunen voor, elektrisch bediende ramen voor, mistlampen, twee sportstoelen, radiovoorbereiding en airco handbediend (hierna: de accessoires). De accessoires zijn afkomstig van de fabrikant, stonden vermeld in de door de fabrikant uitgebrachte, in Nederland geldende prijslijst en hadden ook door de fabrikant kunnen worden aangebracht.
3.2. Het Hof heeft geoordeeld dat, nu de accessoires afkomstig zijn van de fabrikant en ze staan vermeld in de door de fabrikant uitgebrachte, in Nederland geldende prijslijst, en ze bovendien in de fabriek op de auto hadden kunnen worden gemonteerd indien de auto met de accessoires bij de fabriek zou zijn besteld, de prijzen van de accessoires dienen te worden betrokken in de catalogusprijs als bedoeld in artikel 42, lid 3, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: de Wet). Tegen dit oordeel keert zich het middel.
3.3. Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 42 van Pro de Wet heeft de wetgever voor de vaststelling van de hoogte van het privé-voordeel van een door de werkgever ter beschikking gestelde auto uit een oogpunt van eenvoud aansluiting gezocht bij de catalogusprijs daarvan. Indien, zoals in het geval beslist bij het arrest van de Hoge Raad van 5 juli 1982, nr. 21144, BNB 1982/296, een fabrikant naast een standaarduitvoering modellen aanbiedt die zijn uitgerust met prijsverhogende extra voorzieningen die reeds in de fabriek zijn aangebracht, dient de catalogusprijs te worden gesteld op het bedrag dat men volgens de door de fabrikant vastgestelde prijslijst voor de auto moet betalen in de uitvoering zoals die door de fabrikant geleverd wordt. Indien, zoals in het onderhavige geval, de accessoires niet door de fabrikant zelf zijn aangebracht, maar wel vóór het tijdstip waarop aan de personenauto een kenteken wordt toegekend door de importeur of de dealer zijn aangebracht, terwijl deze zijn opgenomen in de door de fabrikant of importeur vastgestelde prijslijst, dan dient ook de in die lijst vermelde meerprijs voor die voorzieningen tot de in artikel 42, lid 3, van de Wet bedoelde catalogusprijs te worden gerekend. Buiten beschouwing kunnen aldus - ter wille van de uitvoerbaarheid van die bepaling - slechts blijven niet in die prijslijst voorkomende voorzieningen en voorzieningen die na de toekenning van het kenteken zijn aangebracht. Het middel gaat uit van een andersluidende opvatting, zodat het faalt.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
5. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president E. Korthals Altes als voorzitter, en de raadsheren D.H. Beukenhorst, L. Monné, P.J. van Amersfoort en C.B. Bavinck, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 24 januari 2001.