3. Beoordeling van de klachten
3.1. Belanghebbende heeft voor het Hof met een beroep op het gelijkheidsbeginsel en het arrest van de Hoge Raad van 5 februari 1997, nr. 31312, BNB 1997/160, aangevoerd dat te zijnen aanzien over het onderhavige jaar geen bijtelling dient plaats te vinden in verband met het privé-gebruik van de hem door zijn werkgeefster ter beschikking gestelde auto. Het Hof heeft deze stelling verworpen.
In cassatie betoogt belanghebbende dat hij op grond van hetgeen de Hoge Raad in rechtsoverweging 3.10 van voormeld arrest heeft overwogen, wèl met vrucht een beroep op het gelijkheidsbeginsel kan doen, omdat in dat arrest is gebleken dat de rechtsopvatting waarop het ten opzichte van de daar bedoelde groep gevolgde beleid berustte, onjuist was.
Dit betoog faalt. Voormelde rechtsoverweging moet aldus worden verstaan dat, indien de belastingadministratie het ten opzichte van de bedoelde groep gevoerde beleid waarvan was gebleken dat het op een onjuiste rechtsopvatting berustte, zou voortzetten, belastingplichtigen met vrucht een beroep op het gelijkheidsbeginsel zouden kunnen doen. De Staatssecretaris van Financiën heeft echter, naar blijkt uit zijn brief van 17 maart 1997, nr. DB97/1160M, aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal, V-N 1997, blz. 1305, korte tijd nadat het arrest was gewezen het hier bedoelde beleid ingetrokken. Dit brengt mee dat belanghebbende niet met vrucht een beroep kan doen op dat beleid in verbinding met het gelijkheidsbeginsel.
3.2. Voorts heeft belanghebbende voor het Hof met een beroep op het arrest van de Hoge Raad van 15 juli 1998, nr. 31922, BNB 1998/293, aangevoerd dat de bijtelling van 24 in plaats van 20 percent van de catalogusprijs van de hem door zijn werkgeefster ter beschikking gestelde personenauto (het zogenoemde verhoogde autokostenforfait) als strijdig met het gelijkheidsbeginsel achterwege dient te blijven. Het Hof heeft deze stelling met verwijzing naar rechtsoverweging 3.14 van voornoemd arrest verworpen. Kennelijk heeft het Hof geoordeeld dat de redenen die de Hoge Raad toentertijd ertoe hebben gebracht de gewraakte regeling niet in enigerlei opzicht buiten toepassing te laten, hun geldigheid hebben behouden.
In cassatie voert belanghebbende ter bestrijding van dit oordeel aan dat de belastingrechter bedoelde regeling thans wèl buiten toepassing dient te laten, omdat de wetgever in gebreke is gebleven tijdig een wetsvoorstel in te dienen om de geconstateerde rechtsongelijkheid op te heffen.
3.3. Met betrekking tot dit betoog heeft het volgende te gelden.
3.3.1. In rechtsoverweging 3.14 van zijn arrest van 15 juli 1998 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat het op de weg van de wetgever lag om de geconstateerde ongelijkheid op te heffen en dat hij ervan uitging dat daartoe door de Staatssecretaris van Financiën het in zijn beroepschrift in cassatie aangekondigde wetsvoorstel zou worden ingediend.
In zijn advies van 8 oktober 1998 naar aanleiding van het wetsvoorstel houdende wijziging van enkele belastingwetten c.a. (belastingplan 1999) heeft de Raad van State geconstateerd dat in dit wetsvoorstel een regeling ter opheffing van voormelde rechtsongelijkheid ontbrak, en geadviseerd een dergelijke regeling alsnog in dat wetsvoorstel op te nemen. In het nader rapport (Kamerstukken II 1998/99, 26 245, B, blz. 4) heeft de Regering hierop als volgt geantwoord: