ECLI:NL:HR:2001:AA9596
Hoge Raad
- Cassatie
- W.J.M. Davids
- G.J.M. Corstens
- A.M.M. Orie
- Rechtspraak.nl
Vernietiging en terugwijzing wegens schending redelijke termijn en bewijsvoorschriften bij ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel
De zaak betreft een cassatieberoep van de betrokkene tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem waarin hij werd veroordeeld tot betaling van wederrechtelijk verkregen voordeel. De Hoge Raad oordeelt dat de behandeling van het cassatieberoep niet binnen een redelijke termijn heeft plaatsgevonden, aangezien er meer dan 17 maanden verstreken zijn tussen het instellen van het beroep en de ontvangst van de stukken bij de Hoge Raad, zonder dat bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen.
Daarnaast stelt de Hoge Raad vast dat het hof in zijn arrest niet de inhoud van alle bewijsmiddelen, waaronder een financieel verslag met bijlagen, heeft opgenomen die ten grondslag liggen aan de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel, wat vereist is op grond van artikel 511g Sv in verbinding met artikel 415 Sv Pro en artikel 359 Sv Pro.
Voorts bespreekt de Hoge Raad de uitleg van artikel 511g, tweede lid, Sv in relatie tot artikel 422 Sv Pro, en concludeert dat verklaringen van getuigen en deskundigen die in eerste aanleg zijn afgelegd bruikbaar zijn voor bewijs zonder dat de bijzondere bewijsvoorwaarden van artikel 422, tweede lid, Sv van toepassing zijn. Het middel dat dit betwist faalt.
De Hoge Raad vernietigt het bestreden arrest en wijst de zaak terug naar het Gerechtshof Arnhem voor een nieuwe berechting en beslissing op het bestaande hoger beroep, met inachtneming van de redelijke termijn en de bewijsvoorschriften.
Uitkomst: Het arrest van het gerechtshof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting met inachtneming van de redelijke termijn en bewijsvoorschriften.