ECLI:NL:HR:2001:AA9566
Hoge Raad
- Cassatie
- R. Herrmann
- A.E.M. van der Putt-Lauwers
- P.C. Kop
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid ouders in cassatie tegen ondertoezichtstelling minderjarige
De ouders hebben bij de Kinderrechter in Leeuwarden verzocht om opheffing van de ondertoezichtstelling van hun minderjarige kind. Dit verzoek werd afgewezen. Vervolgens stelden zij hoger beroep in bij het Gerechtshof te Leeuwarden, dat hen niet-ontvankelijk verklaarde. De ouders verzochten daarop om herroeping van deze beslissing via een request civiel, maar ook dit verzoek werd afgewezen.
Tegen de beslissingen van het Hof stelden de ouders beroep in cassatie in bij de Hoge Raad. De conclusie van de Procureur-Generaal was dat de ouders niet-ontvankelijk moesten worden verklaard omdat het cassatieverzoekschrift niet was ondertekend door een advocaat, zoals vereist volgens artikel 426a lid 1 Rv.
De Hoge Raad volgde deze conclusie en verklaarde de ouders niet-ontvankelijk in hun beroep. Hiermee werd het cassatieberoep niet inhoudelijk behandeld. De beschikking werd gegeven door de raadsheren Herrmann, van der Putt-Lauwers en Kop en in het openbaar uitgesproken door raadsheer Heemskerk op 5 januari 2001.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart de ouders niet-ontvankelijk in hun cassatieberoep wegens het ontbreken van een handtekening van een advocaat.