ECLI:NL:HR:2001:AA9366

Hoge Raad

Datum uitspraak
9 januari 2001
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
00539/00
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • W.J.M. Davids
  • G.J.M. Corstens
  • A.J.A. van Dorst
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OpiumwetArt. 437 SvArt. 101a RO
Verwijzingen
1 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verwerping cassatieberoep in strafzaak opzettelijk handelen in strijd met Opiumwet

In deze strafzaak is het cassatieberoep van de verdachte tegen het arrest van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch verworpen. De verdachte was in eerste aanleg en in hoger beroep veroordeeld wegens opzettelijk handelen in strijd met artikel 2, eerste lid onder B van de Opiumwet, waarvoor een gevangenisstraf van één jaar werd opgelegd.

De Hoge Raad heeft het beroep inhoudelijk onderzocht en geoordeeld dat de ingebrachte middelen van cassatie niet voldoen aan de vereisten van art. 437 Sv Pro, omdat zij geen stellige en duidelijke klachten bevatten over rechtsregels of vormvoorschriften. De overige middelen konden niet tot cassatie leiden en behoefden geen nadere motivering.

Daarmee is het arrest van het gerechtshof bevestigd en is het beroep van verdachte verworpen. De Hoge Raad zag geen aanleiding om ambtshalve de uitspraak te vernietigen. De strafoplegging en bewijsvoering werden in hoger beroep grotendeels bevestigd, behoudens enkele aspecten die niet tot cassatie konden leiden.

Uitkomst: Het cassatieberoep van verdachte wordt verworpen en de veroordeling tot één jaar gevangenisstraf wordt bevestigd.

Uitspraak

9 januari 2001
Strafkamer
nr. 00539/00
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch
van 28 december 1999, parketnummer 20/002281-98, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1951, wonende te
[woonplaats].
1. De bestreden uitspraak
Het Hof heeft in hoger beroep - behoudens ten aanzien van de strafoplegging en de bewijsvoering - bevestigd een vonnis van de Arrondissementsrechtbank te ‘s-Hertogenbosch van 16 juli 1998, waarbij de verdachte ter zake van “opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, eerste lid aanhef en onder a sub B, van de Opiumwet, gegeven verbod” (de Hoge Raad leest dit verbeterd als: “opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, eerste lid onder B, van de Opiumwet gegeven verbod”) is veroordeeld tot één jaar gevangenisstraf, met onttrekking aan het verkeer
zoals in het arrest omschreven.
2. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. R.E. Temmen, advocaat te Bergen op Zoom, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad het beroep zal verwerpen.
3. Beoordeling van het tweede en het vierde middel
Voor onderzoek door de cassatierechter komen alleen in aanmerking middelen van cassatie als bedoeld in art. 437 Sv Pro. Als een zodanig middel kan slechts gelden een stellige en duidelijke klacht over de schending van een bepaalde rechtsregel en/of het verzuim van een toepasselijk vormvoorschrift door de rechter die de bestreden uitspraak heeft gewezen. De in de middelen vervatte klachten voldoen niet aan dit vereiste, zodat zij onbesproken moeten blijven.
4. Beoordeling van het eerste en het derde middel
De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 101a RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
5. Slotsom
Nu geen van de middelen tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.
6. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.J.M. Davids als voorzitter, en de raadsheren
G.J.M. Corstens en A.J.A. van Dorst, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 9 januari 2001.