Uitspraak
[woonplaats].
11 januari 2000.
Hoge Raad
Betrokkene heeft beroep in cassatie ingesteld tegen de beschikking van de kantonrechter Rotterdam van 12 februari 1999, waarin het verzet tegen de tenuitvoerlegging van een dwangbevel ongegrond werd verklaard.
Volgens artikel 26a, tweede lid, van de WAHV is een cassatieberoep tegen een dergelijke beschikking slechts ontvankelijk indien vooraf zekerheid wordt gesteld voor het nog verschuldigde bedrag, de kosten en het griffierecht. De griffier van het kantongerecht heeft betrokkene per brief van 5 maart 1999 in de gelegenheid gesteld om binnen twee weken zekerheid te stellen door storting op de rekening van het CJIB.
Uit een brief van 22 april 1999 blijkt dat betrokkene niet aan deze verplichting heeft voldaan. De Hoge Raad verklaart daarom het cassatieberoep niet-ontvankelijk. De beschikking is gegeven door de vice-president Davids en raadsheren Van Erp, Taalman Kip-Nieuwenkamp en Koster, in aanwezigheid van de waarnemend-griffier Verboon.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet tijdig stellen van de vereiste zekerheid.