ECLI:NL:HR:2000:ZD6565

Hoge Raad

Datum uitspraak
11 januari 2000
Publicatiedatum
8 april 2013
Zaaknummer
322-99-V CJIB 14446726
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • Davids
  • Van Erp
  • Taalman Kip-Nieuwenkamp
  • Koster
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 26a WAHVArt. 36 WAHV
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid in cassatie wegens niet-stellen van zekerheid bij dwangbevel

Betrokkene heeft beroep in cassatie ingesteld tegen de beschikking van de kantonrechter Rotterdam van 12 februari 1999, waarin het verzet tegen de tenuitvoerlegging van een dwangbevel ongegrond werd verklaard.

Volgens artikel 26a, tweede lid, van de WAHV is een cassatieberoep tegen een dergelijke beschikking slechts ontvankelijk indien vooraf zekerheid wordt gesteld voor het nog verschuldigde bedrag, de kosten en het griffierecht. De griffier van het kantongerecht heeft betrokkene per brief van 5 maart 1999 in de gelegenheid gesteld om binnen twee weken zekerheid te stellen door storting op de rekening van het CJIB.

Uit een brief van 22 april 1999 blijkt dat betrokkene niet aan deze verplichting heeft voldaan. De Hoge Raad verklaart daarom het cassatieberoep niet-ontvankelijk. De beschikking is gegeven door de vice-president Davids en raadsheren Van Erp, Taalman Kip-Nieuwenkamp en Koster, in aanwezigheid van de waarnemend-griffier Verboon.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet tijdig stellen van de vereiste zekerheid.

Uitspraak

11 januari 2000
Strafkamer
Nr. 322-99-V
CJIB 14446726
SM
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
Op het beroep in cassatie tegen de beschikking van de Kantonrechter te Rotterdam van 12 februari 1999 betreffende:
[betrokkene], wonende te
[woonplaats].
1. De beschikking van de Kantonrechter
De Kantonrechter heeft het verzet van de betrokkene tegen de tenuitvoerlegging van een door de Officier van Justitie in het arrondissement Leeuwarden op 8 juli 1998 uitgevaardigd dwangbevel ongegrond verklaard.
De beschikking van de Kantonrechter is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
2. Geding in cassatie
De betrokkene heeft tegen de beschikking van de Kantonrechter beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
3. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het cassatieberoep
Ingevolge art. 26a, tweede lid, WAHV is degene die beroep in cassatie heeft ingesteld tegen een beschikking als de onderhavige slechts ontvankelijk in dat beroep na voorafgaande zekerheidstelling van het nog verschuldigde bedrag en van al de kosten en het op grond van art. 36 WAHV Pro verschuldigde griffierecht.
Bij brief van 5 maart 1999 heeft de Griffier van het Kantongerecht de betrokkene in de gelegenheid gesteld om binnen twee weken na de dag van verzending van zijn mededeling zekerheid te stellen door storting van het verschuldigde bedrag op de rekening van het Centraal Justitieel Incassobureau te Leeuwarden. Uit een brief van de Griffier van het Kantongerecht gedateerd 22 april 1999 aan de Griffier van de Hoge Raad blijkt evenwel dat binnen die termijn geen zekerheid is gesteld.
4. Beslissing
De Hoge Raad verklaart de betrokkene niet-ontvankelijk in het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president Davids als voorzitter, en de raadsheren Van Erp Taalman Kip-Nieuwenkamp en Koster, in bijzijn van de waarnemend-griffier Verboon, in raadkamer en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
11 januari 2000.