ECLI:NL:HR:2000:ZD1984
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H.J. Mijnssen
- G.J.M. Corstens
- J.P. Balkema
- Rechtspraak.nl
Verzoek tot uitlevering aan Frankrijk ondanks lopende vervolging in Nederland
De zaak betreft een verzoek tot uitlevering van een persoon aan Frankrijk voor strafvervolging. De rechtbank Rotterdam verklaarde de uitlevering toelaatbaar, ondanks dat er in Nederland een strafvervolging aanhangig was. De opgeëiste persoon stelde cassatie in tegen deze beslissing, met als argument dat het onderzoek aangehouden had moeten worden totdat een door hem ingediend beklag ex artikel 12 Wetboek Pro van Strafvordering over de niet-vervolging in Nederland was beslist.
De Hoge Raad oordeelde dat het aan de Minister van Justitie is om te beslissen over uitlevering wanneer er een lopende strafvervolging in Nederland is. De rechter hoeft het uitleveringsverzoek niet aan te houden vanwege een art. 12 Sv Pro beklag. De rechtbank had dus geen onjuiste rechtsopvatting gegeven door het verzoek tot aanhouding te weigeren.
Het middel van cassatie faalde en het beroep werd verworpen. De Hoge Raad bevestigde hiermee de zelfstandige bevoegdheid van de Minister van Justitie in uitleveringszaken en de beperkte rol van de rechter bij de beoordeling van de toelaatbaarheid van uitlevering in het licht van lopende vervolgingen in Nederland.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de uitlevering aan Frankrijk blijft toelaatbaar ondanks het lopende art. 12 Sv beklag.