ECLI:NL:HR:2000:AC1816

Hoge Raad

Datum uitspraak
11 januari 2000
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
112.109 P
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • Haak
  • Bleichrodt
  • Van Dorst
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 450 SvArt. 101 RO
Verwijzingen
1 uitgaand · 6 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt ontvankelijkheid OM in hoger beroep bij ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel

In deze zaak stond een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel uit hennepteelt centraal. De betrokkene was in eerste aanleg veroordeeld door de Politierechter, waarna zowel de betrokkene als het Openbaar Ministerie hoger beroep instelden bij het Gerechtshof te ’s-Gravenhage.

Het hof vernietigde de uitspraak van de Politierechter en legde aan de betrokkene de verplichting op tot betaling van een geldbedrag aan de Staat, met subsidiair een hechtenisstraf. In het arrest van het hof werd echter onder het kopje 'Procesgang' abusievelijk niet vermeld dat ook het Openbaar Ministerie hoger beroep had ingesteld.

De Hoge Raad stelde vast dat dit een kennelijke misslag betrof en herstelde deze door het arrest dienovereenkomstig te lezen. Tevens verwierp de Hoge Raad het cassatieberoep van de betrokkene, omdat het middel uitging van een onjuiste rechtsopvatting omtrent de toepasselijkheid van artikel 450 lid 1 sub b Sv Pro op het aanwenden van rechtsmiddelen door het Openbaar Ministerie.

De Hoge Raad vond geen aanleiding tot vernietiging en bevestigde de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in hoger beroep, waarmee het beroep werd verworpen.

Uitkomst: Het cassatieberoep van de betrokkene wordt verworpen en de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel wordt gehandhaafd.

Uitspraak

11 januari 2000
Strafkamer
nr. 112.109 P
AB
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het Gerechtshof te ’s-Gravenhage van 13 november 1998 op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste van:
[betrokkene], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1964, wonende te
[woonplaats].
1. De bestreden uitspraak
Het Hof heeft in hoger beroep – met vernietiging van een beslissing van de Politierechter in de Arrondissementsrechtbank te ’s-Gravenhage van 4 juli 1997 – de veroordeelde de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van tweeduizendvijfhonderd gulden, subsidiair zevenendertig dagen hechtenis.
2. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze heeft mr D. van der Landen, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Fokkens heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad het beroep zal verwerpen.
3. Beoordeling van het tweede middel
3.1. Het middel strekt ten betoge dat het Hof heeft verzuimd te beslissen op het door de Officier van Justitie ingestelde hoger beroep tegen de uitspraak van de Politierechter.
3.2. Ten gevolge van een kennelijke misslag is in het bestreden arrest, waarbij de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel gedeeltelijk is toegewezen, onder het hoofd Procesgang niet vermeld dat naast de veroordeelde ook de Officier van Justitie hoger beroep heeft ingesteld tegen de uitspraak van de Politierechter. De Hoge Raad leest het bestreden arrest met herstel van deze misslag.
3.3. Het middel, dat overigens uitgaat van de onjuiste opvatting dat art. 450, eerste lid aanhef en onder b, Sv niet van toepassing is op het aanwenden van rechtsmiddelen door het openbaar ministerie, mist derhalve feitelijke grondslag.
4. Beoordeling van het eerste middel
Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 101
aRO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of rechtsontwikkeling.
5. Slotsom
Nu de middelen niet tot cassatie kunnen leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.
6. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president Haak als voorzitter, en de raadsheren Bleichrodt en Van Dorst, in bijzijn van de griffier Bakker, en uitgesproken op
11 januari 2000.