ECLI:NL:HR:2000:AA9142
Hoge Raad
- Cassatie
- P. Neleman
- R. Herrmann
- J.B. Fleers
- O. de Savornin Lohman
- P.C. Kop
- W.H. Heemskerk
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid Kantonrechter bij terugvordering ten onrechte ontvangen bijstand
De zaak betreft een verzoek van de Gemeente Utrecht aan de Kantonrechter om vast te stellen dat verzoeker een bedrag van ƒ 38.348,98 aan ten onrechte ontvangen bijstand dient terug te betalen over de periode van 8 mei 1995 tot 1 februari 1997. Verzoeker heeft geen verweerschrift ingediend en de Kantonrechter wees het verzoek toe. Verzoeker stelde hoger beroep in bij de Rechtbank Utrecht en betoogde onder meer dat de Kantonrechter onbevoegd was en dat de bestuursrechtelijke procedure gevolgd had moeten worden. De Rechtbank bekrachtigde de beschikking van de Kantonrechter. Verzoeker stelde vervolgens beroep in cassatie in bij de Hoge Raad.
De Hoge Raad oordeelt dat op grond van art. XVI lid 2 van de Wet boeten, maatregelen en terug- en invordering sociale zekerheid (Wet van 25 april 1996, Stb. 248) de Kantonrechter bevoegd is om kennis te nemen van het verzoek, omdat het besluit tot terugvordering is genomen vóór 1 juli 1997 en het verzoekschrift na 30 juni 1997 is ingediend. De middelen die betogen dat de bestuursrechtelijke procedure gevolgd had moeten worden, stuiten hierop af.
De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt daarmee de bevoegdheid van de Kantonrechter in deze procedure. De beschikking is gegeven door de vice-president en raadsheren en in het openbaar uitgesproken door een raadsheer op 22 december 2000.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de bevoegdheid van de Kantonrechter om kennis te nemen van het verzoek tot terugvordering van ten onrechte ontvangen bijstand en verwerpt het cassatieberoep.