ECLI:NL:HR:2000:AA9137

Hoge Raad

Datum uitspraak
22 december 2000
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
R00/058HR
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • R. Herrmann
  • A.E.M. van der Putt-Lauwers
  • H.A.M. Aaftink
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 87 AbwArt. XVI lid 2 Wet boeten, maatregelen en terug- en invordering sociale zekerheidArt. 43a Wet op de rechterlijke organisatieArt. 156 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
Verwijzingen
4 uitgaand · 6 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt beschikking inzake terugvordering leenbijstand en verwijst naar gerechtshof

De Gemeente verzocht de kantonrechter te bepalen dat zij een bedrag van ƒ 2.834,60 ter zake van kosten van bijstand in de vorm van een renteloze geldlening kon invorderen van verzoeker. Verzoeker bestreed dit verzoek. De kantonrechter wees het verzoek toe, waarna de rechtbank dit bekrachtigde. Verzoeker stelde beroep in cassatie in tegen deze beschikking.

De Hoge Raad stelt vast dat het inleidend verzoekschrift tot terugbetaling van leenbijstand is ingediend na 30 juni 1997. Volgens de Wet boeten, maatregelen en terug- en invordering sociale zekerheid (Wet van 25 april 1996) is de kantonrechter bevoegd indien het besluit tot terugvordering vóór 1 juli 1997 bekend is gemaakt. Is het besluit bekend gemaakt op of na 1 juli 1997, dan is de bestuursrechtelijke procedure van toepassing.

De Hoge Raad constateert dat noch de kantonrechter noch de rechtbank heeft vastgesteld wanneer het besluit tot terugvordering bekend is gemaakt. Dit is beslissend voor de vraag of de kantonrechter bevoegd was. De Hoge Raad acht dit een fundamentele beoordelingsfout en vernietigt de beschikking van de rechtbank. De zaak wordt verwezen naar het gerechtshof Amsterdam voor verdere behandeling en beslissing.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de beschikking van de rechtbank en verwijst de zaak naar het gerechtshof voor verdere behandeling.

Uitspraak

22 december 2000
Eerste Kamer
Rek.nr. R00/058HR
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[Verzoeker], wonende te [woonplaats],
VERZOEKER tot cassatie,
advocaat: mr. W.I. Wisman,
t e g e n
DE GEMEENTE AMSTELVEEN, gevestigd te Amstelveen,
VERWEERSTER in cassatie,
niet verschenen.
1. Het geding in feitelijke instanties
Met een op 5 augustus 1998 ter griffie van het Kantongerecht te Amsterdam ingediend verzoekschrift heeft verweerster in cassatie - verder te noemen: de Gemeente - zich gewend tot de Kantonrechter aldaar en verzocht te bepalen dat door de Gemeente op verzoeker tot cassatie - verder te noemen: [verzoeker] - ter zake van kosten van bijstand in de vorm van een renteloze geldlening terstond kan worden ingevorderd een totaalbedrag van ƒ 2.834,60.
[Verzoeker] heeft het verzoek bestreden.
De Kantonrechter heeft bij beschikking van 11 juni 1999 het verzoek van de Gemeente geheel toegewezen.
Tegen deze beschikking heeft [verzoeker] hoger beroep ingesteld bij de Rechtbank te Amsterdam.
Bij beschikking van 8 maart 2000 heeft de Rechtbank de beschikking waarvan beroep bekrachtigd en het meer of anders verzochte afgewezen.
De beschikking van de Rechtbank is aan deze beschikking gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen de beschikking van de Rechtbank heeft [verzoeker] beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Gemeente heeft geen verweerschrift ingediend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal Langemeijer strekt tot vernietiging van de beschikking en tot verwijzing van de zaak naar het Hof van het ressort.
3. Beoordeling van het middel
3.1 Wat betreft de feiten en het verloop van de procedure verwijst de Hoge Raad naar punt 1 van de conclusie van de Advocaat-Generaal Langemeijer.
3.2 In het onderhavige geval is het inleidend verzoekschrift tot terugbetaling van aan [verzoeker] verleende leenbijstand ingediend na 30 juni 1997. Dit brengt mee dat ingevolge het bepaalde in art. XVI lid 2 van de Wet van 25 april 1996, Stb. 248 (Wet boeten, maatregelen en terug- en invordering sociale zekerheid) de Kantonrechter bevoegd is kennis te nemen van dat verzoek, indien het besluit tot terugvordering is bekend gemaakt vóór 1 juli 1997. Indien zulk een besluit is bekend gemaakt op of na 1 juli 1997 dan dient de Gemeente de bestuursrechtelijke procedure te volgen. Immers, alsdan levert het besluit tot terugvordering ingevolge het bepaalde in art. 87 lid 1 Abw Pro een executoriale titel op in de zin van het Tweede Boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, tegen welk besluit de belanghebbende slechts kan opkomen door het volgen van de bestuursrechtelijke procedure van de Algemene wet bestuursrecht.
Beslissend voor de vraag of in het onderhavige geval de Kantonrechter bevoegd was kennis te nemen van het op 5 augustus 1998 ingediende verzoekschrift of dat de bestuursrechtelijke procedure gevolgd had moeten worden, is derhalve of het besluit tot terugvordering bekend is gemaakt vóór dan wel op of na 1 juli 1997. Daaromtrent is door de Kantonrechter en de Rechtbank niets vastgesteld en ook uit de stukken van het geding blijkt daarvan niet. De Rechtbank had mitsdien, nu zij ook zonder dat een daartoe strekkende grief tegen het vonnis van de Kantonrechter was gericht had behoren te beoordelen of de Kantonrechter wel bevoegd was kennis te nemen van het onderhavige geschil, moeten nagaan of het besluit tot terugvordering vóór dan wel op of na 1 juli 1997 bekend was gemaakt. De hierop gerichte klachten zijn derhalve gegrond.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de beschikking van de Rechtbank te Amsterdam van 8 maart 2000;
verwijst het geding ter verdere behandeling en beslissing naar het Gerechtshof te Amsterdam.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren R. Herrmann, als voorzitter, A.E.M. van der Putt-Lauwers en H.A.M. Aaftink, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer W.H. Heemskerk op 22 december 2000.