ECLI:NL:HR:2000:AA9070

Hoge Raad

Datum uitspraak
19 december 2000
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
02476/00 U
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • W.J.M. Davids
  • A.J.A. van Dorst
  • B.C. de Savornin Lohman
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 15 Europees Verdrag betreffende uitleveringArt. 101a RO
Verwijzingen
2 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt bevoegdheid Minister van Justitie bij uitlevering en verwerpt cassatieberoep

In deze zaak heeft het Ministerie van Justitie van de deelstaat Baden-Württemberg verzocht om uitlevering van een verdachte die betrokken zou zijn bij meerdere transporten van heroïne en het voorhanden hebben van grote geldbedragen. De rechtbank Amsterdam verklaarde de uitlevering deels toelaatbaar en deels ontoelaatbaar. De verdediging stelde dat de uitlevering ontoelaatbaar was omdat de Roemeense autoriteiten slechts toestemming hadden gegeven voor uitlevering voor feiten vanaf 1997 en niet voor eerdere feiten, en dat de rechtbank hierover zou moeten oordelen.

De rechtbank oordeelde echter dat de vraag of toestemming voor verderlevering was gegeven niet aan de rechter, maar aan de Minister van Justitie toekomt. De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en verwierp het cassatieberoep. De Hoge Raad stelde dat de beoordeling van de uitlevering en de toestemming voor verderlevering op grond van het Europees Verdrag betreffende uitlevering exclusief aan de Minister van Justitie is voorbehouden.

De Hoge Raad vond geen aanleiding om de uitspraak van de rechtbank te vernietigen en wees het beroep af. Hiermee blijft de beslissing van de rechtbank Amsterdam in stand dat de uitlevering deels toelaatbaar en deels ontoelaatbaar is verklaard, conform de bevoegdheidsverdeling tussen rechter en Minister van Justitie.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat de Minister van Justitie bevoegd is tot beoordeling van toestemming tot verderlevering bij uitlevering.

Uitspraak

19 december 2000
Strafkamer
nr. 02476/00 U
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van de Arrondissementsrechtbank te
Amsterdam van 20 juni 2000, parketnummer 13/97205-99, op een verzoek van het
Ministerie van Justitie van de deelstaat Baden-Württemberg (Bondsrepubliek Duitsland)
tot uitlevering van:
[de opgeëiste persoon], geboren te [geboorteplaats] (Turkije) op [geboortedatum] 1964,
zonder bekende woonplaats hier te lande, ten tijde van de bestreden uitspraak uit
anderen hoofde gedetineerd in het Huis van Bewaring “Demersluis” te Amsterdam.
1. De bestreden uitspraak
De Rechtbank heeft de gevraagde uitlevering van [de opgeëiste persoon] aan (de Hoge Raad leest:) de Bondsrepubliek Duitsland deels toelaatbaar, deels ontoelaatbaar verklaard, één en ander zoals in de bestreden uitspraak staat omschreven.
2. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de opgeëiste persoon. Namens deze heeft mr. A. Moszkowicz, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Wortel heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van de eerste middel
3.1. Het middel komt met een rechts- en motiveringsklacht op tegen het oordeel van de Rechtbank dat de beantwoording van de vraag of te dezen toestemming is gegeven voor de "verderlevering" van de opgeëiste persoon, is voorbehouden aan de Minister van Justitie.
3.2. Blijkens de pleitnotities die zijn gehecht aan het proces-verbaal van de zitting van de Rechtbank is aldaar, zakelijk weergegeven en voorzover voor de beoordeling van het middel van belang, door de raadsman aangevoerd:
- dat de Bondsrepubliek Duitsland de uitlevering van de opgeëiste persoon heeft verzocht ter zake van (1) betrokkenheid bij een transport van 29 kilo heroïne in 1995, (2) betrokkenheid bij het voorhanden hebben van 150.000.000 Spaanse peseta's in 1996, (3) betrokkenheid bij een transport van 23 kilo heroïne in januari 1997, en (4) betrokkenheid bij een transport van 22 kilo heroïne in februari 1997;
- dat de verzochte uitlevering ontoelaatbaar dient te worden verklaard aangezien de Roemeense autoriteiten slechts hebben bewilligd in een aanvullend Nederlands uitleveringsverzoek ter zake van feiten die zijn begaan in de periode van 1 januari 1997 tot 23 april 1999, waarbij tevens toestemming is gegeven tot "verderlevering" van de opgeëiste persoon aan de Bondsrepubliek Duitsland voor diezelfde feiten.
3.3. De Rechtbank heeft naar aanleiding van dit verweer het volgende overwogen en beslist:
"De rechtbank verwerpt dit verweer. Het antwoord op de vraag of de Roemeense autoriteiten in de onderhavige zaak toestemming tot verderlevering naar Duitsland hebben gegeven is niet voorbehouden aan de rechtbank maar aan de Minister van Justitie".
3.4. Voorzover het middel betrekking heeft op de verwerping van het verweer ten aanzien van het sub (2) bedoelde feit, kan het reeds bij gebrek aan belang niet tot cassatie leiden aangezien de Rechtbank de uitlevering ter zake van dat feit ontoelaatbaar heeft verklaard.
3.5. Ook voor het overige faalt het middel, aangezien het onder 3.3 weergegeven oordeel van de Rechtbank juist is. De vraag of de opgeëiste persoon - gelet op het bepaalde in art. 15, eerste lid, Europees Verdrag betreffende uitlevering - door Nederland aan de Bondsrepubliek Duitsland kan worden uitgeleverd staat ter beoordeling van de
Minister van Justitie en niet van de rechter die over de toelaatbaarheid van de uitlevering beslist.
4. Beoordeling van het tweede middel
Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 101a RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
5. Slotsom
Nu geen van de middelen tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet worden beslist als volgt.
6. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.J.M. Davids als voorzitter, en de raadsheren
A.J.A. van Dorst en B.C. de Savornin Lohman, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op
19 december 2000.