ECLI:NL:HR:2000:AA9070
Hoge Raad
- Cassatie
- W.J.M. Davids
- A.J.A. van Dorst
- B.C. de Savornin Lohman
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt bevoegdheid Minister van Justitie bij uitlevering en verwerpt cassatieberoep
In deze zaak heeft het Ministerie van Justitie van de deelstaat Baden-Württemberg verzocht om uitlevering van een verdachte die betrokken zou zijn bij meerdere transporten van heroïne en het voorhanden hebben van grote geldbedragen. De rechtbank Amsterdam verklaarde de uitlevering deels toelaatbaar en deels ontoelaatbaar. De verdediging stelde dat de uitlevering ontoelaatbaar was omdat de Roemeense autoriteiten slechts toestemming hadden gegeven voor uitlevering voor feiten vanaf 1997 en niet voor eerdere feiten, en dat de rechtbank hierover zou moeten oordelen.
De rechtbank oordeelde echter dat de vraag of toestemming voor verderlevering was gegeven niet aan de rechter, maar aan de Minister van Justitie toekomt. De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en verwierp het cassatieberoep. De Hoge Raad stelde dat de beoordeling van de uitlevering en de toestemming voor verderlevering op grond van het Europees Verdrag betreffende uitlevering exclusief aan de Minister van Justitie is voorbehouden.
De Hoge Raad vond geen aanleiding om de uitspraak van de rechtbank te vernietigen en wees het beroep af. Hiermee blijft de beslissing van de rechtbank Amsterdam in stand dat de uitlevering deels toelaatbaar en deels ontoelaatbaar is verklaard, conform de bevoegdheidsverdeling tussen rechter en Minister van Justitie.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat de Minister van Justitie bevoegd is tot beoordeling van toestemming tot verderlevering bij uitlevering.