ECLI:NL:HR:2000:AA9069

Hoge Raad

Datum uitspraak
19 december 2000
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
01386/99
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • W.J.M. Davids
  • A.M.M. Orie
  • A.J.A. van Dorst
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 437 SvArt. 438 SvArt. 6 EVRM
Verwijzingen
2 uitgaand · 6 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verwerpt cassatieberoep in zaak poging zware mishandeling en bedreiging

Het gerechtshof te 's-Gravenhage heeft verdachte in hoger beroep veroordeeld tot achttien maanden gevangenisstraf, waarvan zes maanden voorwaardelijk, wegens poging tot zware mishandeling en bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, telkens meermalen gepleegd. Verdachte stelde cassatieberoep in tegen dit arrest.

De Hoge Raad beoordeelde onder meer een verzoek tot verlenging van de termijn voor het indienen van cassatiemiddelen. Dit verzoek werd afgewezen omdat het niet tijdig was ingediend en niet voldeed aan de vereisten van artikel 437, tweede lid, Sv. De Hoge Raad oordeelde dat het feit dat de raadsman van verdachte geen gronden voor cassatie zag, geen reden is om een nadere termijn toe te kennen.

Verder werd een schriftuur die te laat was ingediend eveneens niet in behandeling genomen. De Hoge Raad vond geen aanleiding om het arrest van het hof ambtshalve te vernietigen en wees het cassatieberoep af.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de veroordeling tot achttien maanden gevangenisstraf, waarvan zes maanden voorwaardelijk.

Uitspraak

19 december 2000
Strafkamer
nr. 01386/99
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 30
juni 1999, parketnummer 22/000745-98, alsmede tegen alle op de terechtzitting van dit
Hof gegeven beslissingen in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] (Iran) op [geboortedatum] 1956, wonende te
[woonplaats].
1. De bestreden einduitspraak
Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Rotterdam van 10 maart 1998, voorzover aan 's Hofs oordeel onderworpen, - de verdachte ter zake van 1. primair “poging tot zware mishandeling” en 2. en 3. “bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, telkens meermalen gepleegd” veroordeeld tot achttien maanden gevangenisstraf, waarvan zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren.
2. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Deze heeft twee schrifturen ingediend die op 18 juli 2000 onderscheidenlijk 16 oktober 2000 bij de Hoge Raad zijn binnengekomen.
De Advocaat-Generaal Fokkens heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van de op 18 juli 2000 ingekomen schriftuur
3.1. De Hoge Raad verstaat de schriftuur aldus dat daarin (a) wordt geklaagd over de afwijzing van het namens de verdachte op 17 juli 2000 gedane verzoek tot verlenging van de in art. 437, tweede lid, Sv bedoelde termijn van twee maanden voor het indienen van middelen van cassatie, die in de onderhavige zaak op 18 juli 2000 verstreek, en (b) opnieuw wordt verzocht om verlenging van deze termijn.
3.2. De Hoge Raad stelt voorop dat als middelen van cassatie voor onderzoek door de cassatierechter slechts in aanmerking komen klachten die zijn gericht tegen de bestreden uitspraak. De klacht sub (a) voldoet niet aan dit vereiste zodat zij onbesproken moet blijven.
3.3. Ter onderbouwing van het verzoek sub (b) heeft de verdachte aangevoerd dat de advocaat die hem bijstond, bij op 10 juli 2000 ontvangen brief heeft bericht dat hij geen cassatiemiddelen zou indienen omdat daarvoor gronden ontbraken, zodat te weinig tijd resteerde om alsnog een cassatieschriftuur op te stellen en in te dienen. Gesteld wordt dat het onthouden van een nieuwe termijn een schending van art. 6 EVRM Pro oplevert.
3.4. Vooropgesteld moet worden dat een verzoek aan de enkelvoudige kamer van de Hoge Raad (de rolrechter) tot het stellen van een nadere termijn voor het eventueel indienen van cassatiemiddelen niet kan worden gedaan bij cassatieschriftuur, zoals te dezen is geschied. De rolrechter neemt immers slechts kennis van de indiening van een cassatieschriftuur doch niet van de inhoud daarvan (vgl. art. 438 Sv Pro).
3.5. Het feit dat een door de verdachte aangezochte raadsman geen gronden voor cassatie aanwezig heeft bevonden, vormt geen omstandigheid die meebrengt dat aan de verdachte een nadere termijn voor het indienen van cassatiemiddelen behoort te worden gegund, ook niet wanneer na de mededeling van die bevinding onvoldoende tijd resteert om nog cassatiemiddelen te kunnen (doen) indienen. In dat geval kan immers niet worden gezegd dat de verdachte niet heeft beschikt over voldoende tijd en faciliteiten die nodig zijn voor de voorbereiding van zijn verdediging als bedoeld in art. 6, derde lid onder b, EVRM.
4. Beoordeling van de op 16 oktober 2000 ingekomen schriftuur
De schriftuur is niet binnen de in art. 437, tweede lid, Sv gestelde termijn bij de griffie van de Hoge Raad ingekomen, zodat deze onbesproken moet blijven.
5. Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak
De Hoge Raad oordeelt geen grond aanwezig waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd.
6. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.J.M. Davids als voorzitter, en de raadsheren
A.M.M. Orie en A.J.A. van Dorst, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 19 december 2000.