ECLI:NL:HR:2000:AA8982

Hoge Raad

Datum uitspraak
27 september 2000
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
35497
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • E. Korthals Altes
  • A.G. Pos
  • L. Monné
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5a Wet administratieve rechtspraak belastingzaken
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt afwijzing proceskostenvergoeding in geschil over gemeentelijke onroerendezaakbelasting

Belanghebbende was het niet eens met de vastgestelde waarde van meerdere onroerende zaken door de Directeur van de dienst Gemeentebelastingen van Amsterdam voor de periode 1997-2000. Na bezwaar handhaafde de Directeur de beschikkingen. Belanghebbende trok het beroep bij het hof in na een compromis, maar verzocht om een afzonderlijke proceskostenvergoeding. De Voorzitter van de Vierde Meervoudige Belastingkamer veroordeelde de Directeur tot vergoeding van 710 gulden. Het hof verklaarde het verzet van belanghebbende tegen deze beschikking gedeeltelijk gegrond.

Belanghebbende stelde vervolgens cassatieberoep in tegen het hofuitspraak over de proceskostenvergoeding. Het hof had het bedrag aan vermeende te veel betaalde belasting geschat tussen 2.000 en 15.000 gulden en het gewicht van de zaak op 1 gesteld. De Hoge Raad oordeelde dat dit oordeel geen onjuiste rechtsopvatting bevatte en feitelijke waarderingen in cassatie niet getoetst kunnen worden.

De Hoge Raad concludeerde dat geen gronden aanwezig zijn voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken en verwierp het cassatieberoep. Het arrest werd op 27 september 2000 uitgesproken door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad.

Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde het oordeel van het hof over de proceskostenvergoeding.

Uitspraak

Nr. 35497
27 september 2000
gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 11 juni 1999 op het verzet van belanghebbende tegen de beschikking van de Voorzitter van de Vierde Meervoudige Belastingkamer van dat Hof betreffende na te noemen verzoek om haar wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
1. Beschikking, bezwaar en geding voor het Hof
Ten aanzien van belanghebbende is bij een aantal op één biljet verenigde beschikkingen van de Directeur van de dienst Gemeentebelastingen van de gemeente Amsterdam (hierna: de Directeur) de waarde van een aantal onroerende zaken voor het tijdvak 1 januari 1997 tot en met 31 december 2000, vastgesteld.
De beschikkingen zijn, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Directeur gehandhaafd. Belanghebbende heeft een aanvankelijk bij het Hof ingesteld beroep tegen de uitspraak van de Directeur ingetrokken nadat partijen een compromis hadden gesloten. Bij de intrekking heeft belanghebbende tevens verzocht een afzonderlijke kostenveroordeling uit te spreken. De Voorzitter van de Vierde Meervoudige Belastingkamer heeft bij beschikking de Directeur veroordeeld tot een proceskostenvergoeding ten bedrage van f 710,--.
Het Hof heeft het verzet van belanghebbende tegen die beschikking gedeeltelijk gegrond verklaard.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld en daarbij een middel voorgesteld
De Directeur heeft een vertoogschrift ingediend.
3. Beoordeling van het middel
Het Hof heeft het bedrag aan belasting dat minder zou zijn verschuldigd op grond van de stellingname van belanghebbende in de ingetrokken beroepzaak, geschat op meer dan f 2.000,-- maar minder dan f 15.000,--, en heeft vervolgens geoordeeld dat niet gesteld of gebleken is dat deze schatting te laag is. Dit oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en kan voor het overige als verweven met waarderingen van feitelijke aard in cassatie niet op zijn juistheid worden getoetst. Het is niet onbegrijpelijk. Uitgaande van dit oordeel heeft het Hof terecht bij het bepalen van de procesvergoeding de factor ter zake van het gewicht van de zaak gesteld op 1. Het middel faalt derhalve.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.
5. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is op 27 september 2000 vastgesteld door de vice-president E. Korthals Altes als voorzitter, en de raadsheren A.G. Pos en L. Monné, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier P.E. Bolle, en op die datum in het openbaar uitgesproken.