ECLI:NL:HR:2000:AA8563
Hoge Raad
- Cassatie
- W.E. Haak
- C.J.G. Bleichrodt
- F.H. Koster
- G.J.M. Corstens
- A.M.J. van Buchem-Spapens
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie wegens niet tijdig indienen cassatiemiddelen
In deze zaak heeft het openbaar ministerie beroep in cassatie ingesteld tegen een vrijspraak van de verdachte door de Arrondissementsrechtbank te Zwolle. Volgens de toen geldende wettelijke bepalingen moest het openbaar ministerie binnen een maand na het instellen van het cassatieberoep een schriftuur met de middelen van cassatie indienen. Dit is niet tijdig gebeurd.
Hoewel een wetswijziging per 1 juni 1999 een nieuwe regeling introduceerde voor het indienen van cassatieschrifturen, is deze niet van toepassing op deze zaak omdat de stukken pas na die datum bij de Hoge Raad zijn ingekomen, terwijl de oorspronkelijke termijn al was verstreken. De Hoge Raad oordeelt dat het openbaar ministerie hierdoor niet-ontvankelijk is in het beroep.
De advocaat-generaal had ook geconcludeerd tot niet-ontvankelijkheid. De Hoge Raad bevestigt dit en verklaart het beroep van het openbaar ministerie niet-ontvankelijk, waarmee de vrijspraak van de verdachte in stand blijft.
Uitkomst: Het openbaar ministerie wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet tijdig indienen van cassatiemiddelen.