ECLI:NL:HR:2000:AA8407
Hoge Raad
- Cassatie
- W.J.M. Davids
- A.J.A. van Dorst
- B.C. de Savornin Lohman
- Rechtspraak.nl
Verwerping cassatieberoep wegens onvoldoende middelen tegen Opiumwet-veroordeling
De verdachte werd door het Gerechtshof Leeuwarden in hoger beroep veroordeeld voor het opzettelijk handelen in strijd met artikel 3, eerste lid onder C van de Opiumwet en medeplegen daarvan. Het hof legde een geldboete van achthonderdvijftig gulden op, subsidiair zeventien dagen hechtenis. Tegen dit arrest stelde de verdachte cassatieberoep in bij de Hoge Raad.
De Hoge Raad onderzocht de ingediende middelen van cassatie, die volgens artikel 437 Sv Pro alleen in aanmerking komen indien zij een stellige en duidelijke klacht bevatten over schending van rechtsregels of vormvoorschriften. De middelen voldeden niet aan deze vereisten en konden daarom niet worden behandeld.
De Hoge Raad oordeelde dat geen gronden aanwezig waren voor ambtshalve vernietiging van het arrest en wees het cassatieberoep af. Hiermee bleef de veroordeling van de verdachte ongewijzigd. Het arrest werd uitgesproken door de vice-president en twee raadsheren op 21 november 2000.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling tot geldboete en subsidiaire hechtenis blijft in stand.