ECLI:NL:HR:2000:AA8318
Hoge Raad
- Cassatie
- R.J.J. Jansen
- F.W.G.M. van Brunschot
- D.G. van Vliet
- P.J. van Amersfoort
- P. Lourens
- Rechtspraak.nl
Beoordeling terugwerkende kracht afschrijving bedrijfsmiddelen in inkomstenbelasting
Belanghebbende kreeg voor het jaar 1996 een aanslag inkomstenbelasting opgelegd op een belastbaar inkomen van ƒ 268.022,--. Na bezwaar en beroep bij het Hof werd de aanslag gehandhaafd. Belanghebbende was tot 1994 in loondienst en begon in 1995 een onderneming, waarbij hij verplichtingen aanging voor de aanschaf van bedrijfsmiddelen waarop in 1995 en 1996 werd afgeschreven.
Het geschil betrof de vraag of willekeurige afschrijving op deze bedrijfsmiddelen in 1996 mogelijk was. Het Hof oordeelde dat het gelijkheidsbeginsel niet verhindert dat de wetgever nieuwe regelingen invoert en terugwerkende kracht aan gunstigere wetgeving onthoudt. Artikel 10a, lid 1, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 bepaalt dat afschrijving plaatsvindt volgens de regels van het tijdvak waarin de verplichtingen zijn aangegaan.
De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en verwierp de klachten tegen het Hof. Er was geen sprake van schending van het gelijkheidsbeginsel zoals neergelegd in internationale verdragen. Ook werden geen proceskosten aan belanghebbende opgelegd. Het beroep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard en het oordeel van het Hof bevestigd dat afschrijving plaatsvindt volgens de regels van het tijdvak waarin verplichtingen zijn aangegaan.