ECLI:NL:HR:2000:AA8318

Hoge Raad

Datum uitspraak
15 november 2000
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
35849
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • R.J.J. Jansen
  • F.W.G.M. van Brunschot
  • D.G. van Vliet
  • P.J. van Amersfoort
  • P. Lourens
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10a Wet op de inkomstenbelasting 1964Art. 44m lid 3 Wet op de inkomstenbelasting 1964Art. 26 IVBPRArt. 14 EVRMArt. 1 Protocol nr. 1 EVRM
Verwijzingen
2 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling terugwerkende kracht afschrijving bedrijfsmiddelen in inkomstenbelasting

Belanghebbende kreeg voor het jaar 1996 een aanslag inkomstenbelasting opgelegd op een belastbaar inkomen van ƒ 268.022,--. Na bezwaar en beroep bij het Hof werd de aanslag gehandhaafd. Belanghebbende was tot 1994 in loondienst en begon in 1995 een onderneming, waarbij hij verplichtingen aanging voor de aanschaf van bedrijfsmiddelen waarop in 1995 en 1996 werd afgeschreven.

Het geschil betrof de vraag of willekeurige afschrijving op deze bedrijfsmiddelen in 1996 mogelijk was. Het Hof oordeelde dat het gelijkheidsbeginsel niet verhindert dat de wetgever nieuwe regelingen invoert en terugwerkende kracht aan gunstigere wetgeving onthoudt. Artikel 10a, lid 1, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 bepaalt dat afschrijving plaatsvindt volgens de regels van het tijdvak waarin de verplichtingen zijn aangegaan.

De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en verwierp de klachten tegen het Hof. Er was geen sprake van schending van het gelijkheidsbeginsel zoals neergelegd in internationale verdragen. Ook werden geen proceskosten aan belanghebbende opgelegd. Het beroep werd ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard en het oordeel van het Hof bevestigd dat afschrijving plaatsvindt volgens de regels van het tijdvak waarin verplichtingen zijn aangegaan.

Uitspraak

Nr. 35849
15 november 2000
gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 22 december 1999 betreffende na te melden aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.
1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof
Aan belanghebbende is voor het jaar 1996 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van f 268.022,--, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof, dat het beroep ongegrond heeft verklaard en de uitspraak heeft bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
3. Beoordeling van de klachten
3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
Belanghebbende was tot en met 1994 in dienstbetrekking werkzaam. Vanaf 1995 drijft belanghebbende een onderneming in de zin van artikel 6 van Pro de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: de Wet). Belanghebbende heeft in 1995 verplichtingen aangegaan voor de aanschaf van bedrijfsmiddelen. Op deze bedrijfsmiddelen is in 1995 en 1996 afgeschreven. Over 1995 en 1996 heeft belanghebbende recht op de verhoogde zelfstandigenaftrek, bedoeld in artikel 44m, lid 3, van de Wet.
3.2. Voor het Hof was tussen partijen in geschil of op de bedrijfsmiddelen waarvoor in 1995 verplichtingen zijn aangegaan, in 1996 willekeurig kan worden afgeschreven.
3.3. Het Hof heeft geoordeeld dat het gelijkheidsbeginsel - waarbij het Hof het oog zal hebben gehad op het gelijkheidsbeginsel zoals dat is neergelegd in artikel 26 IVBPR Pro en artikel 14 EVRM Pro in verbinding met artikel 1 Protocol Pro nr. 1 - niet meebrengt dat het de wetgever niet vrij zou staan nieuwe regelingen in te voeren en daaraan, ook indien sprake is van gunstiger wetgeving, terugwerkende kracht te onthouden. Voorzover de klachten dit oordeel bestrijden, falen zij, aangezien dit oordeel juist is. Zulks brengt mee dat de wetgever in artikel 10a, lid 1, van de Wet zonder schending van vorenbedoeld gelijkheidsbeginsel heeft kunnen bepalen dat afschrijving op bedrijfsmiddelen geschiedt naar de regels die zijn gesteld voor het tijdvak waarin ter zake van de verwerving of de verbetering van het bedrijfsmiddel verplichtingen zijn aangegaan of voortbrengingskosten zijn gemaakt.
3.4. De klachten kunnen voor het overige evenmin tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 101a van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de klachten in zoverre niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
5. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond.
Dit arrest is op 15 november 2000 vastgesteld door de vice-president R.J.J. Jansen als voorzitter, en de raadsheren F.W.G.M. van Brunschot, D.G. van Vliet, P.J. van Amersfoort en P. Lourens, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier W.G. Heesakkers-Kamerbeek, en op die datum in het openbaar uitgesproken.