ECLI:NL:HR:2000:AA8291

Hoge Raad

Datum uitspraak
10 november 2000
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
R99/157HR
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • P. Neleman
  • J.B. Fleers
  • O. de Savornin Lohman
  • A. Hammerstein
  • P.C. Kop
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Verwijzingen
1 uitgaand · 3 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring beroep cassatie tegen beschikking hoger beroep in wanprestatiezaak

In deze zaak vorderde Digitec Security Corporation N.V. dat het Land (de Nederlandse Antillen) werd veroordeeld tot schadevergoeding wegens wanprestatie. Het Gerecht in Eerste Aanleg had het Land op 8 maart 1999 veroordeeld tot schadevergoeding. Het Land verzocht vervolgens om afzonderlijk hoger beroep toe te staan tegen dit vonnis, maar het Hof verklaarde dit verzoek op 11 mei 1999 niet-ontvankelijk en veroordeelde het Land in de kosten.

Het Land probeerde het verzoek alsnog als een appelakte te laten gelden, maar het Hof wees dit af bij beschikking van 8 juni 1999 en stelde dat de termijn voor hoger beroep opnieuw was aangevangen op 11 mei 1999. Digitec stelde hiertegen beroep in cassatie in. De Advocaat-Generaal adviseerde Digitec niet-ontvankelijk te verklaren in het cassatieberoep.

De Hoge Raad volgde dit advies en verklaarde Digitec niet-ontvankelijk in haar cassatieberoep tegen de beschikking van het Hof van 8 juni 1999. Tevens werd Digitec veroordeeld in de kosten van het cassatiegeding. Hiermee kwam een einde aan de procedure over de ontvankelijkheid van het hoger beroep in deze wanprestatiezaak.

Uitkomst: Digitec wordt niet-ontvankelijk verklaard in haar cassatieberoep en veroordeeld in de kosten.

Uitspraak

10 november 2000
Eerste Kamer
Rek.nr. R99/157HR
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
de naamloze vennootschap naar Antilliaans recht DIGITEC SECURITY CORPORATION N.V., gevestigd op Curaçao, Nederlandse Antillen,
EISERES tot cassatie,
advocaat: mr. R.S. Meijer,
t e g e n
de openbare rechtspersoon naar Antilliaans recht DE NEDERLANDSE ANTILLEN, gevestigd op Curaçao, Nederlandse Antillen,
VERWEERDER in cassatie,
advocaat: mr. W. Heemskerk.
1. Het geding in feitelijke instanties
Met een op 11 november 1997 ter griffie van het Gerecht in Eerste Aanleg van de Nederlandse Antillen, zittingsplaats Curaçao, ingediend verzoekschrift heeft eiseres tot cassatie - verder te noemen: Digitec - onder zaak nr. AR 1786/97 in een procedure tegen verweerder in cassatie - verder te noemen: het Land - zich gewend tot dat Gerecht en gevorderd:
- te verklaren voor recht dat het Land jegens Digitec heeft gewanpresteerd, onrechtmatig gehandeld en/of gehandeld in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur;
- het Land te veroordelen tot vergoeding van de schade die Digitec dientengevolge heeft
geleden, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet.
Het Land heeft de vorderingen bestreden.
Het Gerecht in Eerste Aanleg heeft bij tussenvonnis van 21 september 1998 het Land in de gelegenheid gesteld bewijs te leveren en bij eindvonnis van 8 maart 1999 voor recht verklaard dat het Land jegens Digitec wanprestatie heeft gepleegd en het Land veroordeeld tot schadevergoeding, op te maken bij staat.
Bij een op 17 maart 1999 ter griffie van voormeld Gerecht in Eerste Aanleg binnengekomen verzoekschrift heeft het Land het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba verzocht hem vergunning te verlenen om afzonderlijk hoger beroep in te stellen tegen het tussen partijen (Digitec als eiseres en het Land als gedaagde) onder rolnr. AR 1786/97 gewezen (door het Land als tussenvonnis aangemerkte) vonnis van 8 maart 1999.
Digitec heeft een verweerschrift ingediend en geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van het Land in zijn verzoek en subsidiair tot weigering van het verzochte verlof met veroordeling van het Land in deze procedure.
Na een mondelinge behandeling ter terechtzitting van 13 april 1999 heeft het Hof bij beschikking van 11 mei 1999 het Land niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek en het Land veroordeeld in de kosten van deze procedure.
Bij verzoekschrift van 14 mei 1999 heeft het Land in de onderhavige zaak het Hof verzocht het verlofrekest van 17 maart 1999 alsnog ambtshalve te beschouwen als een akte van appel en memorie van grieven, strekkende tot vernietiging van het bestreden vonnis van het Gerecht in Eerste Aanleg van 8 maart 1999.
Digitec heeft ook dit verzoek bestreden.
Het Hof heeft bij beschikking van 8 juni 1999 verstaan dat de termijn voor het instellen van hoger beroep van het vonnis van 8 maart 1999 van het Gerecht in Eerste Aanleg (onder AR nr. 1786/97) opnieuw is aangevangen op 11 mei 1999 en het verzoek afgewezen, met veroordeling van het Land in de kosten van deze procedure.
De beschikking van het Hof van 8 juni 1999 is aan deze beschikking gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen laatstvermelde beschikking van het Hof heeft Digitec beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
Het Land heeft verzocht Digitec niet-ontvankelijk te verklaren, althans het beroep te verwerpen.
Op het ontvankelijkheidsverweer heeft Digitec een verweerschrift ingediend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal Wesseling-van Gent strekt tot niet-ontvankelijk-verklaring van Digitec in haar beroep tegen de beschikking van 8 juni 1999 en tot veroordeling van Digitec in de kosten van het geding in cassatie.
3. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep in cassatie
Digitec dient in haar beroep niet-ontvankelijk te worden verklaard op de gronden uiteengezet in de conclusie van de Advocaat-Generaal Wesseling-van Gent.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart Digitec niet-ontvankelijk in haar beroep;
veroordeelt Digitec in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van het Land begroot op ƒ 525,-- aan verschotten en ƒ 3.000,-- voor salaris.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president P. Neleman als voorzitter en de raadsheren J.B. Fleers, O. de Savornin Lohman, A. Hammerstein en P.C. Kop, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer W.H. Heemskerk op 10 november 2000.