ECLI:NL:HR:2000:AA7838

Hoge Raad

Datum uitspraak
25 oktober 2000
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
35598
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • R.J.J. Jansen
  • F.W.G.M. van Brunschot
  • D.G. van Vliet
  • P.J. van Amersfoort
  • P. Lourens
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 44m Wet op de inkomstenbelasting 1964Art. 26 IVBPRArt. 14 EVRMArt. 101a Wet op de rechterlijke organisatieArt. 8:75 Algemene wet bestuursrecht
Verwijzingen
3 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt leeftijdsgrens zelfstandigenaftrek geen verboden discriminatie

Belanghebbende kreeg voor het jaar 1996 een aanslag inkomstenbelasting opgelegd met een belastbaar inkomen van f 88.324,--. Na bezwaar en een ongegrond verklaard beroep bij het Hof, stelde belanghebbende beroep in cassatie in bij de Hoge Raad.

De kern van het geschil betrof de leeftijdsgrens van 65 jaar in artikel 44m van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, die volgens belanghebbende een verboden discriminatie vormde op grond van artikel 26 IVBPR Pro en artikel 14 EVRM Pro. De Hoge Raad oordeelde dat deze leeftijdsgrens objectief en redelijkerwijs te rechtvaardigen is, mede gelet op eerdere arresten en de doelstelling van de zelfstandigenaftrek.

De overige middelen van cassatie werden eveneens verworpen zonder nadere motivering. De Hoge Raad wees ook een veroordeling in proceskosten af en verklaarde het beroep ongegrond. Het arrest werd op 25 oktober 2000 in het openbaar uitgesproken.

Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en de leeftijdsgrens van 65 jaar voor de zelfstandigenaftrek wordt bevestigd.

Uitspraak

Nr. 35598
25 oktober 2000
gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 18 augustus 1999 betreffende na te melden aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.
1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof
Aan belanghebbende is voor het jaar 1996 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van f 88.324,--, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof, dat het beroep ongegrond heeft verklaard en de bestreden uitspraak heeft bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
3. Beoordeling van de middelen van cassatie
3.1. Voorzover het eerste middel betoogt dat de in artikel 44m, eerste lid, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 voor de toepassing van de zelfstandigenaftrek opgenomen leeftijdsgrens van 65 jaar een door artikel 26 IVBPR Pro en/of artikel 14 EVRM Pro verboden discriminatie oplevert, faalt het middel, gelet op hetgeen de Hoge Raad in zijn arresten van 6 juni 1990, nr. 26690, BNB 1990/212, en 3 maart 1999, nr. 34339, BNB 1999/202, heeft geoordeeld.
3.2. Ook voorzover het eerste middel betoogt dat de verhogingen van de zelfstandigenaftrek die na de invoering van artikel 44m van de Wet op de inkomstenbelasting 1964, bij de Wet van 9 februari 1984, Stb. 27, hebben plaatsgevonden, een verboden discriminatie opleveren in de zin van artikel 26 IVBPR Pro en/of artikel 14 EVRM Pro, faalt het.
Immers, bij latere verhogingen van de zelfstandigenaftrek hebben overwegingen een rol gespeeld, die de oorspronkelijke doelstelling van de aftrek als zodanig niet aantasten. In het licht van het met de zelfstandigenaftrek beoogde doel is de leeftijdsgrens ook na deze verhogingen objectief en redelijkerwijs te rechtvaardigen.
3.3 De overige middelen kunnen evenmin tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 101a van de Wet op de rechterlijke organisatie geen nadere motivering, nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
5. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond.
Dit arrest is op 25 oktober 2000 vastgesteld door de vice-president R.J.J. Jansen als voorzitter, en de raadsheren F.W.G.M. van Brunschot, D.G. van Vliet, P.J. van Amersfoort en P. Lourens, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.M. van Hooff, en op die datum in het openbaar uitgesproken.