ECLI:NL:HR:2000:AA7702
Hoge Raad
- Cassatie
- H.L.J. Roelvink
- P. Neleman
- C.H.M. Jansen
- A. Hammerstein
- P.C. Kop
- Rechtspraak.nl
Beëindiging huurovereenkomst bedrijfsruimte en vergoeding verhuis- en inrichtingskosten
In deze zaak staat de beëindiging van een huurovereenkomst van bedrijfsruimte centraal, waarbij de verhuurder de bedrijfsruimte persoonlijk wil gaan gebruiken voor de exploitatie van een wasstraat. De huurovereenkomst tussen partijen, oorspronkelijk aangegaan in 1983 en doorlopend voor onbepaalde tijd, werd opgezegd met ingang van 1 augustus 1996. De kantonrechter bepaalde dat de huurovereenkomst zou eindigen op 1 augustus 1996, met een dwangsom bij niet-ontruiming.
De rechtbank Breda vernietigde dit vonnis voor zover de verhuis- en inrichtingskosten werden afgewezen en stelde de einddatum uit tot 1 november 1999, waarbij zij de verhuurder veroordeelde tot betaling van een bedrag aan de huurder ter tegemoetkoming in die kosten. De verhuurder stelde incidenteel hoger beroep in, dat werd afgewezen. De huurder stelde vervolgens beroep in cassatie in tegen diverse vonnissen.
De Hoge Raad oordeelde dat de rechtbank onjuist had geoordeeld door de vordering tot vergoeding van verhuis- en inrichtingskosten als een nieuwe grief te beschouwen en dat deze vordering in elke fase van het geding kan worden ingediend. De Hoge Raad vernietigde de vonnissen van 11 mei en 24 augustus 1999 en verwees de zaak naar het gerechtshof voor verdere behandeling van de vergoeding. Tevens bepaalde de Hoge Raad dat de huurovereenkomst eindigt op 1 februari 2001 en dat de huurder uiterlijk op die datum het gehuurde moet ontruimen.
De overige klachten van de huurder werden verworpen en de kosten van het cassatiegeding werden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.
Uitkomst: De huurovereenkomst eindigt op 1 februari 2001 en de zaak wordt verwezen voor verdere behandeling van de vergoeding verhuis- en inrichtingskosten.