ECLI:NL:HR:2000:AA7152
Hoge Raad
- Cassatie
- A.G. Pos
- L. Monné
- C.B. Bavinck
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt privégebruik auto bij meerdere dienstbetrekkingen voor belastingjaar 1991
Belanghebbende kreeg voor het jaar 1991 een aanslag inkomstenbelasting opgelegd op basis van een belastbaar inkomen van f 415.645,--. Vervolgens werd een navorderingsaanslag opgelegd met een belastbaar inkomen van f 429.542,-- en een verhoging van 100%, waarvan 75% werd kwijtgescholden. Belanghebbende maakte bezwaar tegen deze navorderingsaanslag, maar dit werd door de Inspecteur en later door het Hof bevestigd.
In cassatie stelde belanghebbende dat het gebruik van de auto die door A B.V. ter beschikking was gesteld, niet als privégebruik moest worden aangemerkt omdat hij deze mede gebruikte voor werkzaamheden bij B B.V. De Hoge Raad oordeelde dat het gebruik van de auto voor werkzaamheden bij een andere dienstbetrekking als privégebruik moet worden aangemerkt, tenzij de auto mede namens die andere werkgever ter beschikking is gesteld of de tweede dienstbetrekking binnen het kader van de eerste wordt uitgeoefend.
Het Hof had geoordeeld dat de auto niet mede namens B B.V. ter beschikking was gesteld en dat de tweede dienstbetrekking niet binnen het kader van de eerste werd uitgeoefend. Dit oordeel was feitelijk en niet onbegrijpelijk of ontoereikend gemotiveerd, zodat het in cassatie niet kon worden getoetst. Het beroep werd daarom verworpen. De Hoge Raad wees ook proceskostenveroordeling af.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen, bevestigend dat het gebruik van de auto voor werkzaamheden bij een andere werkgever als privégebruik wordt aangemerkt.