ECLI:NL:HR:2000:AA7076
Hoge Raad
- Cassatie
- R.J.J. Jansen
- F.W.G.M. van Brunschot
- D.G. van Vliet
- P.J. van Amersfoort
- P. Lourens
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt ondernemerschap commanditaire vennoot en kwalificatie arbeidsbeloning als winst uit onderneming
In deze zaak stond centraal of de arbeidsbeloning van een commanditaire vennoot in een commanditaire vennootschap moest worden aangemerkt als winst uit onderneming of als inkomsten uit arbeid. De commanditaire vennoot, erflater, was mede gerechtigd tot het vermogen van de vennootschap en had daadwerkelijk werkzaamheden verricht.
De Inspecteur had de aanslag inkomstenbelasting over 1995 vastgesteld waarbij de arbeidsbeloning werd gezien als inkomsten uit arbeid, zonder recht op zelfstandigenaftrek. Het Hof vernietigde deze uitspraak en kwalificeerde de arbeidsbeloning als winst uit onderneming, waarmee recht op zelfstandigenaftrek bestond.
De Hoge Raad bevestigde het oordeel van het Hof en stelde dat het ondernemerschap van de commanditaire vennoot voortvloeit uit zijn medegerechtigdheid tot het vermogen van de vennootschap. De verrichte werkzaamheden en de toegekende beloning zijn in beginsel onderdeel van de vennootschappelijke rechtsverhouding en vormen winst uit onderneming, tenzij er sprake is van een persoonlijke arbeidsverhouding met beherende vennoten, wat hier niet is gesteld.
De Hoge Raad verklaarde het beroep van de Staatssecretaris van Financiën ongegrond en veroordeelde hem in de proceskosten. Hiermee werd het Hofarrest bekrachtigd dat de arbeidsbeloning van de commanditaire vennoot als winst uit onderneming kwalificeert.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het beroep van de Staatssecretaris ongegrond en bevestigt dat de arbeidsbeloning van de commanditaire vennoot winst uit onderneming is.