ECLI:NL:HR:2000:AA7074
Hoge Raad
- Cassatie
- R.J.J. Jansen
- F.W.G.M. van Brunschot
- D.G. van Vliet
- P.J. van Amersfoort
- P. Lourens
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt navorderingsaanslag bij toerekening winst maatschap tussen echtgenoten
Belanghebbende kreeg voor 1992 een aanslag inkomstenbelasting opgelegd op basis van een belastbaar inkomen van ƒ 59.812,--, welke door de Inspecteur ambtshalve werd verminderd tot ƒ 27.940,--. Later werd een navorderingsaanslag opgelegd naar het oorspronkelijke bedrag, zonder verhoging. Belanghebbende maakte bezwaar, dat werd afgewezen door de Inspecteur en bevestigd door het Hof.
De zaak betrof de toerekening van winst uit een landbouwmaatschap (ondermaatschap) die belanghebbende met haar echtgenoot was aangegaan, waarbij de Inspecteur aanvankelijk de realiteit van deze ondermaatschap betwistte. Na eerdere jurisprudentie van de Hoge Raad accepteerde de Inspecteur de ondermaatschap, maar legde alsnog een navorderingsaanslag op aan belanghebbende.
Het Hof oordeelde dat artikel 16, lid 2, onderdeel b, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen navordering toestaat indien een bestanddeel van het belastbare inkomen ten onrechte bij de andere echtgenoot is betrokken. Tevens werd geoordeeld dat navordering achterwege moet blijven indien dit in strijd zou zijn met een beginsel van behoorlijk bestuur, maar dat in deze zaak geen sprake was van een schending daarvan.
De Hoge Raad bevestigt het oordeel van het Hof en wijst het cassatieberoep af. Er is geen reden om de navorderingsaanslag te vernietigen, en er worden geen proceskosten toegewezen.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de navorderingsaanslag aan belanghebbende.