ECLI:NL:HR:2000:AA7068
Hoge Raad
- Cassatie
- R.J.J. Jansen
- A.E. de Moor
- D.G. van Vliet
- P.J. van Amersfoort
- P. Lourens
- Rechtspraak.nl
Vernietiging hofuitspraak over naheffingsaanslag loonbelasting wegens onjuiste bewijslastverdeling
Belanghebbende, een besloten vennootschap, kreeg een naheffingsaanslag loonbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd over de jaren 1990 tot en met 1994 met een verhoging van 100%. Na bezwaar werd de aanslag verminderd tot een bedrag zonder verhoging. Het hof verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat belanghebbende de bewijslast droeg om aan te tonen dat de aanslag te hoog was, omdat niet de vereiste aangiften waren gedaan.
De Hoge Raad stelt dat het hof onjuist heeft geoordeeld dat de bewijslast omkeert bij het niet doen van aangifte, aangezien het verzwegen bedrag niet aanzienlijk was ten opzichte van de totale loonsom. De Hoge Raad vernietigt daarom het arrest van het hof en verwijst de zaak terug naar het Gerechtshof te ’s-Gravenhage voor verdere behandeling.
De Staatssecretaris van Financiën wordt veroordeeld in de kosten van het cassatiegeding en moet het griffierecht vergoeden dat belanghebbende heeft betaald. De Hoge Raad benadrukt dat de bewijslastverdeling bij naheffingsaanslagen zorgvuldig moet worden toegepast en dat relatief geringe verzwegen bedragen niet automatisch leiden tot omkering van de bewijslast.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en verwijst de zaak terug voor nieuwe behandeling.