ECLI:NL:HR:2000:AA6299
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H.J. Mijnssen
- P. Neleman
- R. Herrmann
- A.E.M. van der Putt-Lauwers
- J.B. Fleers
- W.H. Heemskerk
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beroep op vervalbeding in verrekening huwelijkse voorwaarden bij echtscheiding
Partijen zijn in 1968 gehuwd onder huwelijkse voorwaarden met een verrekenbeding dat verrekening van kosten en inkomsten jaarlijks moest plaatsvinden. Na feitelijke scheiding in 1990 en diverse procedures, vordert de vrouw in 1997 verrekening van de helft van het gezamenlijke vermogen, circa ƒ 3,5 miljoen, per datum van het verzoek tot echtscheiding.
De man beroept zich op het vervalbeding in de huwelijkse voorwaarden dat stelt dat verrekening alleen binnen het kalenderjaar volgend op het jaar waarop de verrekening betrekking heeft kan worden gevorderd. Het hof oordeelt dat het beroep op het vervalbeding niet onredelijk of onbillijk is, mede gelet op het aanbod van de man aan de vrouw tot een regeling met onder meer een bedrag van ƒ 300.000,-- in termijnen en het behoud van de woning.
De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en wijst het cassatieberoep van de vrouw af. Het hof heeft terecht geoordeeld dat het beroep op het vervalbeding gerechtvaardigd is gezien de omstandigheden, waaronder het feit dat de vrouw vanaf 1991 rechtskundige bijstand had en pas in 1996 een beroep deed op verrekening. De Hoge Raad oordeelt dat het hof zijn beoordelingsvrijheid niet heeft overschreden en dat het oordeel niet onjuist is.
De procedure omvatte meerdere stappen, waaronder een niet-ontvankelijkverklaring door de rechtbank, een hoger beroep waarbij het hof de vrouw deels niet-ontvankelijk verklaarde, en uiteindelijk het cassatieberoep. De Hoge Raad benadrukt dat het hof terecht de gehele zaak in hoger beroep heeft behandeld zonder terugverwijzing.
De uitspraak bevestigt de rechtsgeldigheid van het vervalbeding in huwelijkse voorwaarden en het belang van tijdige vordering van verrekening, waarbij omstandigheden en redelijkheid en billijkheid een rol spelen.
Uitkomst: Het beroep op het vervalbeding in het verrekenbeding wordt niet onredelijk of onbillijk geacht en het cassatieberoep wordt verworpen.