ECLI:NL:HR:2000:AA6205

Hoge Raad

Datum uitspraak
14 juni 2000
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
35275
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • E. Korthals Altes
  • A.G. Pos
  • D.H. Beukenhorst
  • L. Monné
  • C.B. Bavinck
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:162 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt rechtmatig vertrouwen bij onjuiste belastinginformatie verontreinigingsheffing

In deze zaak gaat het om een aanslag in de verontreinigingsheffing voor het jaar 1995 opgelegd aan belanghebbende. Het Waterschap De Dommel (het Schap) handhaafde aanvankelijk een aanslag gebaseerd op een vervuilingswaarde van 479,5 eenheden, maar het Hof vernietigde deze en stelde de aanslag vast op 86,16 vervuilingseenheden. De kern van het geschil betrof de vraag of belanghebbende een in rechte te beschermen vertrouwen kon ontlenen aan onjuiste inlichtingen van het Hoofd fiscale zaken van het Schap over de afvalwatercoëfficiënt.

De Hoge Raad bevestigde dat van het beginsel dat de wet moet worden toegepast slechts kan worden afgeweken indien de belastingplichtige de onjuistheid niet behoefde te beseffen en schade lijdt door het vertrouwen op die onjuiste informatie. Het Hof had geoordeeld dat belanghebbende de onjuistheid niet had onderkend en dat zij schade leed doordat zij een extra verhoging van kampeertarieven niet had doorgevoerd. Dit oordeel was voldoende gemotiveerd en niet onbegrijpelijk.

Het cassatieberoep van het Schap faalde, waarna de Hoge Raad het beroep verwierp en het Schap veroordeelde in de kosten van het geding. De uitspraak bevestigt het belang van het vertrouwensbeginsel bij fiscale aanslagen en benadrukt de zorgvuldigheid die van belastingplichtigen mag worden verwacht bij het beoordelen van verstrekte informatie.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt het vertrouwensbeginsel bij onjuiste belastinginformatie, waardoor de aanslag wordt verminderd.

Uitspraak

Nr. 35275
14 juni 2000
gewezen op het beroep in cassatie van het Waterschap De Dommel te Boxtel (hierna: het Schap) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch van 2 maart 1999 betreffende de aan X v.o.f. te Z voor het jaar 1995 opgelegde aanslag in de verontreinigingsheffing oppervlaktewateren van het Schap.
1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof
Aan belanghebbende is voor het jaar 1995 een aanslag in de verontreinigingsheffing opgelegd, berekend naar een vervuilingswaarde van 479,5 vervuilingseenheden, ten bedrage van f 30.719,95. Na daartegen gemaakt bezwaar is de aanslag bij uitspraak van het hoofd fiscale zaken van het Schap (hierna: het Hoofd) gehandhaafd.
Belanghebbende is van de uitspraak van het Hoofd in beroep gekomen bij het Hof.
Het Hof heeft de uitspraak vernietigd en de aanslag verminderd tot een aanslag naar een vervuilingswaarde van 86,16 vervuilingseenheden, ten bedrage van f 5.521,39. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Het Schap heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Belanghebbende heeft een vertoogschrift ingediend.
3. Beoordeling van de klachten
3.1. Voor een overzicht van de feiten wordt verwezen naar de uitspraak van het Hof. Het geschil betreft de vraag of belanghebbende aan een brief van het Hoofd van 1 februari 1995, waarin onjuiste inlichtingen zijn verstrekt met betrekking tot de van toepassing zijnde afvalwatercoëfficiënt voor de verontreinigingsheffing over het jaar 1995, een in rechte te beschermen vertrouwen kan ontlenen ten aanzien van de door haar te betalen heffing in dat jaar. In cassatie wordt bestreden ’s Hofs oordeel dat het beroep van belanghebbende op het vertrouwensbeginsel dient te worden gehonoreerd.
3.2 Wanneer het, zoals in dit geval, gaat om de vraag of een in rechte te beschermen vertrouwen kan worden ontleend aan door de bevoegde instantie verstrekte inlichtingen, dient van het beginsel dat de wet moet worden toegepast slechts dan te worden afgeweken indien de belastingplichtige de onjuistheid van de inlichting niet had behoeven te beseffen en tevens wordt geconfronteerd met het feit dat hij niet alleen de wettelijk verschuldigde belasting heeft te betalen maar daarenboven schade lijdt doordat hij, afgaande op de onjuiste voorlichting, enige handeling heeft verricht of nagelaten (vgl. HR 3 januari 1990, nr. 26325, BNB 1990/148). Het Hof heeft blijkens overweging 4.3 dan ook een juiste maatstaf aangelegd.
3.3. ‘s Hofs oordeel dat belanghebbende de onjuistheid in de brief niet heeft onderkend en evenmin heeft behoeven te beseffen, is niet onbegrijpelijk en kan voor het overige, als berustende op aan het Hof voorbehouden waarderingen van feitelijke aard, in cassatie niet met vrucht worden bestreden. Het is ook voldoende gemotiveerd.
3.4. Het oordeel van het Hof dat aannemelijk is dat belanghebbende afgaande op de verstrekte inlichtingen een extra verhoging van de kampeertarieven voor 1995 achterwege heeft gelaten, terwijl in 1997 de aanslag niet meer kon worden doorberekend, waardoor de belanghebbende bij handhaving van de aanslag schade zal lijden, en dat mitsdien wordt voldaan aan het zogenoemde dispositievereiste, geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en behoefde geen nadere motivering. Het is voor het overige van feitelijke aard, zodat het - nu het niet onbegrijpelijk is - in cassatie moet worden geëerbiedigd.
3.5. Uit het vorenoverwogene volgt dat de klachten falen. Het beroep dient te worden verworpen.
4. Proceskosten
Het Hoofd zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat de zaak met nummer 35.276, die betrekking heeft op dezelfde belanghebbende, met de onderhavige zaak samenhangt in de zin van het Besluit proceskosten fiscale procedures.
5. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep en veroordeelt het Hoofd in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op f 1.065,-- voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand en wijst het Schap aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden.
Dit arrest is op 14 juni 2000 vastgesteld door de vice-president E. Korthals Altes als voorzitter, en de raadsheren A.G. Pos, D.H. Beukenhorst, L. Monné en C.B. Bavinck, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier P.E. Bolle, en op die datum in het openbaar uitgesproken.
Van het Schap wordt ter zake van dit beroep in cassatie een recht geheven van f 340,--.