ECLI:NL:HR:2000:AA6158

Hoge Raad

Datum uitspraak
9 juni 2000
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
R99/186HR
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • F.H.J. Mijnssen
  • W.H. Heemskerk
  • O. De Savornin Lohman
  • A. Hammerstein
  • P.C. Kop
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:163 lid 1 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van gelijktijdige uitspraak echtscheiding en scheiding van tafel en bed

De zaak betreft een verzoek tot echtscheiding en nevenvoorzieningen tussen partijen die sinds 1974 gehuwd zijn. De man verzocht de rechtbank om echtscheiding uit te spreken, terwijl de vrouw primair het verzoek afwees en subsidiair scheiding van tafel en bed vorderde. De rechtbank sprak echtscheiding uit en wees het verzoek tot scheiding van tafel en bed af. De vrouw ging in hoger beroep, waarop het Hof de echtscheiding bekrachtigde en de scheiding van tafel en bed alsnog uitsprak.

De vrouw stelde in cassatie dat het Hof onjuist handelde door beide uitspraken in één beschikking te combineren, omdat echtscheiding en scheiding van tafel en bed elkaar uitsluiten. De Hoge Raad verwierp dit middel en stelde dat zolang echtscheiding niet is ingeschreven in de registers, de scheiding van tafel en bed rechtsgeldig blijft. Bij inschrijving van de echtscheiding eindigt het huwelijk en verliest de scheiding van tafel en bed betekenis.

De Hoge Raad concludeerde dat het gelijktijdig uitspreken van beide voorzieningen in één beschikking geen onaanvaardbare rechtsgevolgen heeft en verwierp het cassatieberoep. De beschikking werd gegeven door de vice-president en raadsheren op 9 juni 2000.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen; het Hof mocht zowel echtscheiding als scheiding van tafel en bed in één beschikking uitspreken.

Uitspraak

9 juni 2000
Eerste Kamer
Rek.nr. R99/186HR
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[de vrouw],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKSTER tot cassatie,
advocaat: mr. R.Th.R.F. Carli,
t e g e n
[de man],
wonende te [woonplaats],
VERWEERDER in cassatie,
niet verschenen.
1. Het geding in feitelijke instanties
Met een op 26 mei 1998 gedateerd verzoekschrift heeft verweerder in cassatie - verder te noemen: de man - zich gewend tot de Rechtbank te Middelburg en verzocht echtscheiding tussen hem en verzoekster tot cassatie - verder te noemen: de vrouw - uit te spreken. Daarnaast heeft hij om nevenvoorzieningen verzocht.
De vrouw heeft het verzoek bestreden en verzocht primair het verzoek af te wijzen, subsidiair de scheiding van tafel en bed uit te spreken, in beide gevallen met nevenverzoeken.
De Rechtbank heeft bij beschikking van 17 februari 1999 de echtscheiding tussen partijen uitgesproken, het verzoek van de vrouw tot scheiding van tafel en bed afgewezen, en iedere verdere beslissing aangehouden.
Tegen deze beschikking heeft de vrouw hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te 's-Gravenhage.
Bij beschikking van 3 september 1999 heeft het Hof de bestreden beschikking voor zover daarbij tussen de partijen de echtscheiding werd uitgesproken, bekrachtigd en vernietigd de bestreden beschikking voor zover daarbij het verzoek van de vrouw tot scheiding van tafel en bed werd afgewezen. In zoverre opnieuw rechtdoende heeft het Hof alsnog de scheiding van tafel en bed tussen partijen uitgesproken.
De beschikking van het Hof is aan deze beschikking gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen de beschikking van het Hof heeft de vrouw beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De man heeft geen verweerschrift ingediend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal Bakels strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot bekrachtiging van de door de Rechtbank te Middelburg op 17 februari 1999 tussen partijen gewezen beschikking.
3. Beoordeling van het middel
3.1 In cassatie moet ervan worden uitgegaan dat het huwelijk van partijen, die op 9 augustus 1974 te [plaatsnaam] met elkaar zijn gehuwd, duurzaam is ontwricht. Het Hof heeft op die grond zowel scheiding van tafel en bed uitgesproken als de beschikking van de Rechtbank waarbij echtscheiding is uitgesproken, bekrachtigd.
3.2 Het middel, dat zich uitsluitend keert tegen de laatstgemelde beslissing, klaagt dat het Hof blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door naast het uitspreken van scheiding van tafel en bed ook de beschikking tot echtscheiding te bekrachtigen. Nu echtscheiding en scheiding van tafel en bed met elkaar tegenstrijdig zijn, kunnen zij - volgens het middel - niet in één beschikking worden uitgesproken.
3.3 Het middel faalt. Anders dan de vrouw veronderstelt, kan de beschikking van het Hof niet tot onaanvaardbare rechtsgevolgen leiden. Wanneer een van de partijen de beschikking waarbij echtscheiding is uitgesproken, doet inschrijven in de registers van de burgerlijke stand, komt ingevolge art. 1:163 lid 1 BW Pro de echtscheiding tot stand en eindigt het huwelijk van partijen. Vanaf dat moment heeft de uitgesproken scheiding van tafel en bed geen betekenis meer. Zo lang de echtscheiding niet is ingeschreven, zijn partijen na het in kracht van gewijsde gaan van de beschikking gescheiden van tafel en bed. Hoewel echtscheiding en scheiding van tafel en bed elkaar wat rechtsgevolg betreft uitsluiten, kan daarin dus geen reden gevonden worden om aan te nemen dat zij niet beide in één beschikking kunnen worden uitgesproken.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president F.H.J. Mijnssen als voorzitter en de raadsheren W.H. Heemskerk, O. De Savornin Lohman, A. Hammerstein en P.C. Kop, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer W.H. Heemskerk op 9 juni 2000.