ECLI:NL:HR:2000:AA6119
Hoge Raad
- Cassatie
- R.J.J. Jansen
- F.W.G.M. van Brunschot
- D.G. van Vliet
- P.J. van Amersfoort
- P. Lourens
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt uitleg bijzondere omstandigheden bij vervangingsreserve in inkomstenbelasting
Belanghebbende, een landbouwondernemer sinds 1987, ontving in 1989 een vergoeding voor afstand van pachtrechten en vormde met toestemming van de Inspecteur een vervangingsreserve voor een deel van dit bedrag. In 1993 was er discussie over de opname van deze reserve in de winst, mede vanwege onderhandelingen over de aankoop van vervangende grond die niet tot een overeenkomst leidden.
Het Hof Amsterdam oordeelde dat belanghebbende aannemelijk had gemaakt dat op 31 december 1993 nog een vervangingsvoornemen bestond, maar dat de niet doorgang van de koopovereenkomst in 1994 geen bijzondere omstandigheid vormde zoals bedoeld in artikel 14 lid 2 van Pro de Wet op de inkomstenbelasting 1964, omdat deze zich na de peildatum voordeed.
De Hoge Raad bevestigt deze uitleg en wijst het cassatieberoep af. Het Hof heeft volgens de Hoge Raad geen onjuiste rechtsopvatting gegeven en de feitelijke waarderingen zijn in cassatie niet toetsbaar. Proceskosten worden niet toegewezen.
Het arrest is op 7 juni 2000 in het openbaar uitgesproken door de Hoge Raad onder voorzitterschap van vice-president R.J.J. Jansen en raadsheren Van Brunschot, Van Vliet, Van Amersfoort en Lourens.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het Hof Amsterdam bevestigd.