ECLI:NL:HR:2000:AA5441
Hoge Raad
- Cassatie
- C.J.G. Bleichrodt
- G.J.M. Corstens
- A.M.M. Orie
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkverklaring vordering tot in behandeling nemen uitleveringsverzoek wegens onvindbaarheid opgeëiste persoon
De zaak betreft een uitleveringsverzoek van de Duitse deelstaat Nordrhein-Westfalen gericht op een opgeëiste persoon die verblijft in het Huis van Bewaring te Almelo. De Hoge Raad verwijst naar een eerder arrest van 22 juni 1999 waarin de uitspraak van de Arrondissementsrechtbank te Zutphen werd vernietigd en de opgeëiste persoon werd opgeroepen voor een zitting op 7 september 1999.
De opgeëiste persoon is echter niet verschenen op de zitting van 7 september 1999 en ook niet op latere data, ondanks een bevel tot medebrenging. Hierdoor werd het onderzoek meerdere malen geschorst. De Advocaat-Generaal concludeerde op 14 maart 2000 tot niet-ontvankelijkverklaring van de Officier van Justitie in diens vordering tot in behandeling nemen van het uitleveringsverzoek.
De Hoge Raad oordeelt dat vanwege de onvindbaarheid van de opgeëiste persoon niet kan worden vastgesteld of het verzoek tot uitlevering ontvankelijk is. Daarom verklaart de Hoge Raad de Officier van Justitie niet-ontvankelijk in zijn vordering tot in behandeling nemen van het uitleveringsverzoek.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart de Officier van Justitie niet-ontvankelijk in de vordering tot in behandeling nemen van het uitleveringsverzoek wegens onvindbaarheid van de opgeëiste persoon.