ECLI:NL:HR:2000:AA5344
Hoge Raad
- Cassatie
- W.J.M. Davids
- A.M.J. van Buchem-Spapens
- J.P. Balkema
- Rechtspraak.nl
Vernietiging arrest hof wegens niet-toewijzing civiele vordering benadeelde partij bij mishandeling
In deze zaak stond de verdachte terecht voor mishandeling, waarvoor het hof Amsterdam hem veroordeelde tot een geldboete van 300 gulden, subsidiair zes dagen hechtenis, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Het slachtoffer had een civiele vordering ingediend van 83,50 gulden ter vergoeding van door haar geleden schade.
Het hof oordeelde dat de civiele vordering reeds was begrepen in de bijzondere voorwaarde die aan de voorwaardelijke straf was verbonden en verklaarde het slachtoffer daarom niet-ontvankelijk. De Advocaat-Generaal concludeerde dat het hof had moeten toewijzen en de schadevergoedingsmaatregel had moeten opleggen.
De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof uitsluitend voor zover het de civiele vordering niet toewijst en de bijzondere voorwaarde niet correct formuleert. De Hoge Raad wijst de vordering van het slachtoffer toe en stelt als bijzondere voorwaarde dat de verdachte binnen zes maanden na aanvang van de proeftijd ten minste 250 gulden aan het slachtoffer betaalt ter vergoeding van de schade.
Voor het overige verwerpt de Hoge Raad het beroep van de verdachte. De verdachte wordt veroordeeld in de kosten van het geding gemaakt door het slachtoffer. Het arrest is gewezen door de vice-president Davids en raadsheren van Buchem-Spapens en Balkema.
Uitkomst: Hoge Raad wijst civiele vordering van slachtoffer toe en bevestigt voorwaardelijke geldboete met bijzondere voorwaarde tot schadevergoeding.