ECLI:NL:HR:2000:AA5344

Hoge Raad

Datum uitspraak
4 april 2000
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
113140
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 24a SrArt. 24b SrArt. 24c SrArt. 36f SrArt. 51b Sv
Verwijzingen
1 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging arrest hof wegens niet-toewijzing civiele vordering benadeelde partij bij mishandeling

In deze zaak stond de verdachte terecht voor mishandeling, waarvoor het hof Amsterdam hem veroordeelde tot een geldboete van 300 gulden, subsidiair zes dagen hechtenis, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Het slachtoffer had een civiele vordering ingediend van 83,50 gulden ter vergoeding van door haar geleden schade.

Het hof oordeelde dat de civiele vordering reeds was begrepen in de bijzondere voorwaarde die aan de voorwaardelijke straf was verbonden en verklaarde het slachtoffer daarom niet-ontvankelijk. De Advocaat-Generaal concludeerde dat het hof had moeten toewijzen en de schadevergoedingsmaatregel had moeten opleggen.

De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof uitsluitend voor zover het de civiele vordering niet toewijst en de bijzondere voorwaarde niet correct formuleert. De Hoge Raad wijst de vordering van het slachtoffer toe en stelt als bijzondere voorwaarde dat de verdachte binnen zes maanden na aanvang van de proeftijd ten minste 250 gulden aan het slachtoffer betaalt ter vergoeding van de schade.

Voor het overige verwerpt de Hoge Raad het beroep van de verdachte. De verdachte wordt veroordeeld in de kosten van het geding gemaakt door het slachtoffer. Het arrest is gewezen door de vice-president Davids en raadsheren van Buchem-Spapens en Balkema.

Uitkomst: Hoge Raad wijst civiele vordering van slachtoffer toe en bevestigt voorwaardelijke geldboete met bijzondere voorwaarde tot schadevergoeding.

Uitspraak

4 april 2000
Strafkamer
nr. 113140
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie
tegen een arrest van het
Gerechtshof te Amsterdam
van 19 januari 1999 in de
strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1954, wonende te [woonplaats].
1. De bestreden uitspraak
Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een bij verstek gewezen vonnis van de Politierechter in de Arrondissementsrechtbank te Haarlem van 12 september 1997 - de verdachte ter zake van 1. en 2. "mishandeling, meermalen gepleegd" veroordeeld tot een geldboete van driehonderd gulden, subsidiair zes dagen hechtenis, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met de bijzonder voorwaarde dat de veroordeelde binnen een termijn van zes maanden nadat de proeftijd is ingegaan, ten genoegen van de procureur-generaal aantoont dat een bedrag groot f250,-- (tweehonderdvijftig gulden) door hem is betaald aan [het slachtoffer] ([..]), bankrekening [nummer], tot vergoeding van de schade die door het onder 1 bewezenverklaarde strafbare feit is veroorzaakt.
2. Geding in cassatie
2.1. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Middelen van cassatie zijn door of namens deze niet voorgesteld.
2.2. De benadeelde partij, voornoemde [slachtoffer], heeft een schriftuur ingediend die een middel van cassatie bevat. De schriftuur is aan dit arrest gehecht.
2.3. De Advocaat-Generaal Jörg heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, doch uitsluitend voorzover het Hof heeft verzuimd
(1) de civiele vordering van de benadeelde partij
[het slachtoffer] toe te wijzen tot een bedrag van
F 83,50;
(2) de schadevergoedingsmaatregel op te leggen tot een bedrag van f 83,50 subsidiair een dag hechtenis;
(3) verzoeker te veroordelen in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot aan deze uitspraak begroot op nihil;
(4) de artikelen 24a, 24b, 24c en 36f Sr aan te halen als wettelijke voorschriften waarop de strafoplegging mede berust;
(5) als bijzondere voorwaarde een bedrag van f 166,50 op te leggen,
(1) en (2) onder de bepaling dat de voldoening aan de verplichting tot betaling aan de Staat van voormeld bedrag van f 83,50 ten behoeve van de benadeelde partij de veroordeling tot betaling aan de benadeelde partij van f 83,50 doet vervallen, alsmede dat betaling van voormeld bedrag aan de benadeelde partij de verplichting tot betaling aan de Staat doet vervallen. De conclusie strekt er voorts toe dat de Hoge Raad alsnog doet wat het Hof had behoren te doen, met verwerping van het beroep voor het overige.
3. Beoordeling van de bestreden uitspraak naar aanleiding van het middel en ambtshalve
3.1. Het Hof heeft in de bestreden uitspraak overwo-gen:
"[Het slachtoffer], wonende te [woonplaats], [adres], heeft zich als benadeelde partij in deze strafzaak gevoegd en een vordering ingediend van f. 83,50 tot vergoeding van de door haar tengevolge van het onder 1 bewezenverklaarde geleden schade. De door haar geleden immateriële schade en de door haar gemaakte kosten voor rechtsbijstand zijn nog onbekend.
De verdachte heeft de vordering van de benadeelde partij ter terechtzitting in hoger beroep betwist. Het hof zal de benadeelde partij bij gebrek aan belang niet ontvankelijk verklaren in de door haar ingestelde vordering, gelet op de inhoud van de bij dit arrest aan de verdachte op te leggen bijzondere voorwaarde".
3.2. De benadeelde partij heeft op de voet van art. 51b, eerste lid, Sv een vordering ingediend ten bedrage van f. 83,50. Het Hof heeft kennelijk geoordeeld dat de daaraan ten grondslag gelegde schadeposten (consult huisarts en blouse) zijn bewezen.
3.3. In de hiervoor onder 3.1 weergegeven overweging van het Hof ligt als zijn oordeel besloten dat aan de vordering van de benadeelde partij reeds geheel wordt tegemoetgekomen doordat het Hof de hiervoor onder 1 genoemde bijzondere voorwaarde aan de voorwaardelijk opgelegde straf heeft verbonden. Dat oordeel is onjuist. De benadeelde partij heeft met de indiening van haar vordering beoogd dat bij rechterlijke uitspraak wordt bepaald dat zij zelf een rechtstreekse vordering, met alle daaraan verbonden bevoegdheden, heeft op de veroordeelde. Nu het Hof - zoals hiervoor is overwogen - de vordering bewezen heeft geacht, had het deze vordering moeten toewijzen. Aangezien het Hof het bedrag van f 83,50 heeft begrepen geacht in het bedrag ad f 250,- dat in de bijzondere voorwaarde is genoemd, had het Hof voorts zulks tevens tot uitdrukking moeten brengen.
3.4. Het middel is in zoverre gegrond. De Hoge Raad zal doen wat het Hof had behoren te doen.
4. Slotsom
Nu de Hoge Raad overigens geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet worden beslist als volgt.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
Vernietigt de bestreden uitspraak doch uitslui-
tend voorzover het Hof heeft verzuimd de vordering van de benadeelde partij toe te wijzen en voorzover het een bijzondere voorwaarde heeft gesteld aan de voorwaardelijke strafoplegging;
Wijst de vordering van de benadeelde partij, [het slachtoffer], ad f 83,50 toe;
Veroordeelt de verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot aan deze uitspraak begroot op nihil;
Stelt aan de voorwaardelijk opgelegde geldboete van f 300,-- als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde binnen een termijn van zes maanden nadat de proeftijd is ingegaan, ten genoegen van het ressortsparket Amsterdam aantoont dat een bedrag van f 250,- (tweehonderd vijftig gulden) door hem is betaald aan [het slachtoffer], bankrekening [nummer], tot vergoeding van de schade die door het onder 1 bewezenverklaarde feit is veroorzaakt, waaronder begrepen de hiervoor genoemde vordering van f 83,50.
Verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.J.M. Davids als voorzitter, en de raadsheren
A.M.J. van Buchem-Spapens en J.P. Balkema, in bijzijn van de waarnemend-griffier Mos, en uitgesproken op 4 april 2000.