ECLI:NL:HR:2000:AA5255
Hoge Raad
- Cassatie
- vice-president Davids
- Aaftink
- Orie
- Van Buchem-Spapens
- Van Dorst
- Rechtspraak.nl
Beoordeling rechtmatigheid binnentreden en bewijsgebruik bij opzettelijke cocaïnebezit
Op 29 januari 1998 betraden twee politiemannen een woning in Rotterdam na een melding van buurtbewoners over gegil en brekend glas. Zij troffen daar de verdachte aan, die gewond was aan zijn been en verklaarde dat hij was neergestoken. De politie betrad de woning via een openstaande deur en vond een op cocaïne gelijkende stof. Hierop werd een spoedhuiszoeking gehouden.
De verdachte werd veroordeeld voor het opzettelijk bezit van cocaïne. In hoger beroep werd het vonnis bevestigd. De verdachte stelde in cassatie dat het bewijs onrechtmatig was verkregen omdat de politie zonder schriftelijke machtiging de woning was binnengetreden.
De Hoge Raad oordeelde dat hoewel geen schriftelijke machtiging was verstrekt, het binnentreden gerechtvaardigd was op grond van de Algemene wet op het binnentreden, artikel 2, vierde lid, vanwege het spoedeisende gevaar ter voorkoming van ernstig en onmiddellijk gevaar voor personen. Het hof had dit terecht geoordeeld en het beroep werd verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep werd verworpen; de veroordeling voor opzettelijk bezit van cocaïne bleef gehandhaafd.