ECLI:NL:HR:2000:AA5135

Hoge Raad

Datum uitspraak
15 maart 2000
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
35324
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • J.H. Korthals Altes
  • J. Zuurmond
  • J. Monné
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5a Wet administratieve rechtspraak belastingzakenWaterschapswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt rechtmatigheid aanslag waterschapsomslag na fusie waterschap Sevenwolden

Belanghebbende werd voor het jaar 1997 aangeslagen in de waterschapsomslag van het nieuw gevormde waterschap Sevenwolden, dat per 1 januari 1997 was ontstaan uit een fusie. De aanslag bedroeg aanzienlijk meer dan in het voorgaande jaar. Na bezwaar handhaafde het dagelijks bestuur van het waterschap de aanslag. Belanghebbende ging in beroep bij het Hof, dat de aanslag bevestigde.

Het cassatieberoep richtte zich onder meer tegen het oordeel van het Hof dat geen rechtsvragen konden worden beantwoord over de omslagklassenverordening en de kostentoedelingsverordening, omdat deze volgens het Hof op wettige wijze tot stand waren gekomen. De Hoge Raad oordeelde dat dit oordeel onjuist was, maar dat het Hof desondanks op de klachten was ingegaan en de waarderingen van feitelijke aard niet onjuist waren.

Belanghebbende stelde verder dat de belasting niet meer dan tien procent mocht stijgen ten opzichte van het voorgaande jaar, wat de Hoge Raad onjuist achtte. De tariefstelling is een resultaat van wetgevende arbeid en staat niet ter beoordeling van de belastingrechter, tenzij strijd met hogere wetgeving of algemene rechtsbeginselen wordt aangetoond, wat hier niet het geval was.

De Hoge Raad verwierp het beroep en zag geen aanleiding tot proceskostenveroordeling. Hiermee werd de uitspraak van het Hof bevestigd en de aanslag als rechtmatig beschouwd.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de rechtmatigheid van de aanslag waterschapsomslag 1997.

Uitspraak

Nr. 35324
15 maart 2000
gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Leeuwarden van 9 april 1999 betreffende na te melden aan hem voor het jaar 1997 opgelegde aanslag in de waterschapsomslag.
1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof
Aan belanghebbende is voor het jaar 1997 een aanslag in de waterschapsomslag opgelegd tot een bedrag van in totaal f 15.078,--, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van het dagelijks bestuur van het waterschap Sevenwolden (hierna: het bestuur) is gehandhaafd.
Belanghebbende is van de uitspraak van het bestuur in beroep gekomen bij het Hof.
Het Hof heeft de uitspraak bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Het bestuur heeft een vertoogschrift ingediend.
3. Beoordeling van de klachten
3.1. Belanghebbende is voor het jaar 1997 aangeslagen in de waterschapsomslag van het waterschap Sevenwolden. Dit waterschap is per 1 januari 1997 ontstaan uit een fusie. Onder de vanaf het jaar 1997 van toepassing zijnde belastingverordening van het nieuwe waterschap is belanghebbende in totaal voor een aanmerkelijk hoger bedrag aan waterschapsomslag aangeslagen dan in het voorgaande jaar het geval was. Het Hof heeft de daartegen door belanghebbende aangevoerde bezwaren verworpen.
3.2. De klachten bestrijden terecht het in onderdeel 5.3 van de uitspraak van het Hof gegeven oordeel dat voorzover het beroep zich richt tegen (onderdelen van) de omslagklassenverordening dan wel de kostentoedelingsverordening, daarop in de onderhavige procedure geen antwoord kan worden gegeven. Het Hof heeft dat oordeel gebaseerd op de omstandigheid dat deze verordeningen op de wettelijk voorgeschreven wijze zijn totstandgekomen, met inbegrip van het ter inzage leggen daarvan teneinde ingelanden in staat te stellen bezwaren kenbaar te maken. Dat oordeel is onjuist (vergelijk HR 22 juli 1997, nr. 31017, BNB 1997/328). Tot cassatie kan dit evenwel niet leiden, nu het Hof in weerwil van dit onjuiste oordeel niettemin op de desbetreffende klachten is ingegaan. De dienaangaande gegeven oordelen dat belanghebbende de verordeningen niet voldoende in hun uitgangspunten heeft bestreden (rechtsoverweging 5.3), onderscheidenlijk dat belanghebbende onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat in de omslagklassenverordening onvoldoende rekening is gehouden met verschillen in hoedanigheid of ligging en met verschillen in voorzieningenniveau (rechtsoverweging 5.6), kunnen, als berustende op aan het Hof voorbehouden waarderingen van feitelijke aard en geen nadere motivering behoevend, in cassatie niet met vrucht worden bestreden.
3.3 De klachten van belanghebbende berusten voor het overige op de opvatting dat het recht gebiedt dat een over enig jaar te heffen belasting nimmer meer dan tien percent hoger mag zijn dan die belasting zoals geheven over een voorgaand jaar. Die opvatting is onjuist. Het Hof heeft met juistheid geoordeeld dat de tariefstelling als vrucht van wetgevende arbeid op zichzelf niet aan de belastingrechter ter beoordeling staat. Wel kan de tariefstelling in een verordening onder omstandigheden in strijd zijn met hogere wetgeving, of kan bij de totstandkoming of wijziging van een verordening in strijd gehandeld zijn met algemene rechtsbeginselen. In ’s Hofs uitspraak ligt echter besloten het oordeel dat een zodanig geval zich te dezen niet voordoet. Dit oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. De klachten falen derhalve.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.
5. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is op 15 maart 2000 vastgesteld door de vice-president Korthals Altes als voorzitter, en de raadsheren Zuurmond en Monné, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Fase, en op die datum in het openbaar uitgesproken.