ECLI:NL:HR:2000:AA4982
Hoge Raad
- Cassatie
- R.J.J. Jansen
- Van Brunschot
- Van Vliet
- Van Amersfoort
- Lourens
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt rechtmatigheid navorderingsaanslag inkomstenbelasting 1988
Belanghebbende werd aanvankelijk aangeslagen voor een belastbaar inkomen van f 318.388 over het jaar 1988. Vervolgens werd een navorderingsaanslag opgelegd met een belastbaar inkomen van f 647.526, zonder verhoging. Belanghebbende ging in beroep bij het hof, dat de navorderingsaanslag handhaafde. Tegen deze uitspraak stelde belanghebbende beroep in cassatie in bij de Hoge Raad.
De Hoge Raad beoordeelde of het hof onjuiste rechtsopvattingen had gehanteerd of onvoldoende had gemotiveerd. Het hof oordeelde dat de feiten die aan de navorderingsaanslag ten grondslag lagen, de inspecteur geen aanleiding gaven tot het stellen van vragen of afwijken van de aangifte. Dit oordeel was niet onbegrijpelijk of ontoereikend gemotiveerd en kon in cassatie niet worden getoetst.
Verder stelde het hof vast dat de inspecteur de feiten die tot navordering leidden niet kende en ook niet behoefde te kennen. Zelfs als hij die feiten had gekend, had hij de oorspronkelijke aanslag kunnen opleggen zonder ambtelijk verzuim te plegen. De Hoge Raad vond geen gronden om het cassatieberoep toe te wijzen en wees het beroep af.
Proceskosten werden niet toegewezen omdat geen gronden voor veroordeling aanwezig waren. Het arrest werd op 1 maart 2000 door de Hoge Raad in het openbaar uitgesproken.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de navorderingsaanslag inkomstenbelasting 1988.