ECLI:NL:HR:2000:AA4899
Hoge Raad
- Cassatie
- R.J.J. Jansen
- Van Brunschot
- Van Vliet
- Van Amersfoort
- Lourens
- Rechtspraak.nl
Beoordeling deelnemingsvrijstelling bij aandelen gehouden als voorraad in vennootschapsbelasting
Belanghebbende, opgericht in 1989, handelde in aandelenvennootschappen en kocht in 1989 alle aandelen van A BV, die samen met haar dochtervennootschap een fiscale eenheid vormde. Gedurende de periode dat belanghebbende de aandelen hield, oefenden A BV en haar dochtervennootschap geen activiteiten uit en hadden zij nagenoeg geen activa anders dan een rekening-courantvordering.
In 1993 verkocht belanghebbende de aandelen A BV na een dividenduitkering die in de rekening-courant werd verrekend. De Inspecteur rekende het voordeel van ƒ 99.000,-- dat belanghebbende behaalde tot de belastbare winst, omdat volgens hem de deelnemingsvrijstelling niet van toepassing was omdat de aandelen als voorraad werden gehouden.
Het Hof bevestigde dat de aandelen als voorraad waren bestemd voor de omzet en dat de deelnemingsvrijstelling niet van toepassing was. De Hoge Raad oordeelde dat het begrip voorraad aandelen omvat die bestemd zijn voor verkoop en behoren tot het vlottende kapitaal, en dat onder de gegeven omstandigheden het oordeel van het Hof juist was. De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en wees proceskostenveroordeling af.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat de deelnemingsvrijstelling niet van toepassing is op aandelen gehouden als voorraad.