ECLI:NL:HR:2000:AA4898
Hoge Raad
- Cassatie
- R.J.J. Jansen
- Van Brunschot
- Van Vliet
- Van Amersfoort
- Lourens
- Rechtspraak.nl
Beoordeling deelnemingsvrijstelling bij afwaardering van aandelen in vennootschap met onderneming
Belanghebbende, een dochtermaatschappij van een bank die kapitaalmarktactiviteiten verricht, verzorgde in 1991 de emissie van aandelen van B B.V. Een deel van de aandelen bleef onverkocht, welke belanghebbende voor eigen rekening afnam. Zij heeft deze aandelen in 1992 afgewaardeerd tot nihil vanwege financiële problemen bij B B.V. De Inspecteur weigerde deze afwaardering in aftrek te laten onder de deelnemingsvrijstelling.
Het Hof oordeelde dat de deelnemingsvrijstelling van toepassing was, omdat de aandelen niet als voorraad werden gehouden en het resultaat niet een vergoeding voor financiële dienstverlening vormde. Belanghebbende stelde dat het verlies onderdeel was van de provisie die zij als emissieleider ontving, maar het Hof verwierp dit.
De Hoge Raad bevestigde het oordeel van het Hof. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat aandelen als voorraad worden gehouden indien zij bestemd zijn voor verkoop en behoren tot het vlottende kapitaal van vennootschappen zonder materiële onderneming. Aangezien B B.V. een onderneming dreef, kon niet worden gesproken van aandelen als voorraad. Het cassatieberoep werd verworpen en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de deelnemingsvrijstelling is van toepassing op de afwaardering van de aandelen.