ECLI:NL:HR:2000:AA4726
Hoge Raad
- Cassatie
- vice-president Roelvink
- raadsheer Heemskerk
- raadsheer Fleers
- raadsheer De Savornin Lohman
- raadsheer Hammerstein
- Rechtspraak.nl
Nietigheid van cessie in faillissement wegens niet-opeisbaarheid en wetenschap van benadeling
De curator van het faillissement van Boelhouwer Project Services B.V. (BPS) stelde dat de cessie van vorderingen aan Van Zwol Wijntjes nietig was op grond van de Faillissementswet en het Burgerlijk Wetboek. De cessie betrof vorderingen die Van Zwol Wijntjes op BPS en andere ondernemingen had, en was verricht vlak voor het faillissement van BPS.
De Rechtbank Utrecht verklaarde de cessie nietig voor zover zij betrekking had op vorderingen die Van Zwol Wijntjes na het faillissement op BPS of andere ondernemingen zou verkrijgen. In reconventie werd Van Zwol Wijntjes een bedrag toegekend op basis van een rechtsgeldige cessie. Het Gerechtshof Amsterdam bevestigde deze uitspraken. De curator stelde cassatieberoep in tegen deze beslissingen.
De Hoge Raad oordeelde dat de curator onvoldoende feitelijk bewijs had geleverd voor de vereiste wetenschap van benadeling bij Van Zwol Wijntjes en BPS ten tijde van de cessie. Tevens werd verduidelijkt dat de uitzondering in artikel 43 Faillissementswet Pro strikt moet worden uitgelegd, waarbij niet-opeisbaarheid betekent dat de schuldeiser op het moment van de rechtshandeling geen betaling door de debiteur kan vorderen. Het beroep van de curator werd verworpen en hij werd veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de curator wordt verworpen en de cessie wordt niet nietig verklaard voor vorderingen die na het faillissement zijn ontstaan.