ECLI:NL:HR:2000:AA4430

Hoge Raad

Datum uitspraak
21 januari 2000
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
C99/061HR
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Nietig
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • Neleman
  • De Savornin Lohman
  • Kop
  • Heemskerk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 57b RvWet op de rechterlijke organisatieArt. 100 Wetboek van Burgerlijke RechtsvorderingArt. 177 Wetboek van Burgerlijke RechtsvorderingArt. 213 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
Verwijzingen
1 uitgaand · 4 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging vonnis wegens innerlijke tegenstrijdigheid in bewijswaardering bij koopgeschil

In deze zaak stond een geschil centraal over de betaling van een deel van de koopprijs voor een ijskast, vrieskast en verlichting die door de verkoper aan de koper waren geleverd. De verkoper vorderde betaling van ƒ 775,--, waarvan ƒ 575,-- onbetaald zou zijn gebleven, vermeerderd met wettelijke rente en incassokosten. De koper betwistte de vordering en stelde onder meer dat zij nooit in de winkel van de verkoper was geweest.

De Kantonrechter stond de verkoper toe bewijs te leveren dat de koper de goederen daadwerkelijk had gekocht. De verkoper bracht twee getuigen naar voren, terwijl de koper zichzelf als partijgetuige hoorde. Na het horen van de getuigen werden proces-verbalen opgemaakt wegens verdenking van meineed. Desondanks oordeelde de Kantonrechter dat de verklaringen van de getuigen voldoende waren om de vordering toe te wijzen, ondanks de verdenking van meineed.

De Hoge Raad stelde vast dat deze oordelen van de Kantonrechter innerlijk tegenstrijdig waren: enerzijds werd de betrouwbaarheid van de getuigenverklaringen betwijfeld wegens verdenking van meineed, anderzijds werden deze verklaringen als voldoende bewijs aanvaard. Hierdoor ontbrak het vonnis aan de noodzakelijke samenhang en motivering. De Hoge Raad vernietigde het vonnis en verwees de zaak terug naar de Rechtbank te Zutphen voor verdere behandeling en beslissing.

Uitkomst: Het vonnis van de Kantonrechter is vernietigd wegens innerlijke tegenstrijdigheid in de bewijswaardering en de zaak is verwezen naar de Rechtbank te Zutphen.

Uitspraak

21 januari 2000
Eerste Kamer
Nr. C99/061HR
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[Koper],
wonende te [woonplaats],
EISERES tot cassatie,
advocaat: mr M.G. Cantarella,
t e g e n
de vennootschap onder firma ELECTRO-TECHNISCH BUREAU [verkoper] V.O.F.,
gevestigd te [woonplaats],
VERWEERSTER in cassatie,
niet verschenen.
1. Het geding in feitelijke instantie
Verweerster in cassatie - verder te noemen: [verkoper] - heeft bij exploit van 6 mei 1998 eiseres tot cassatie - verder te noemen: [koper] - gedagvaard voor de Kantonrechter te Groenlo en gevorderd [koper] te veroordelen om aan [verkoper] te betalen ƒ 775,--, vermeerderd met de wettelijke rente over ƒ 575,-- ingaande 15 februari 1997.
[Koper] heeft de vordering bestreden.
De Kantonrechter heeft bij tussenvonnis van 14 september 1998 [verkoper] tot bewijslevering toegelaten. Na enquête heeft de Kantonrechter bij eindvonnis van 21 december 1998 [koper] veroordeeld om aan [verkoper] te betalen een bedrag van ƒ 675,--, vermeerderd met de wettelijke rente over ƒ 575,-- vanaf 15 februari 1997, en het meer of anders gevorderde afgewezen.
Beide vonnissen van de Kantonrechter zijn aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het eindvonnis van de Kantonrechter heeft [koper] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Tegen [verkoper] is verstek verleend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal De Vries Lentsch-Kostense strekt tot vernietiging van het bestreden eindvonnis en tot verwijzing ter verdere behandeling en beslissing.
3. Beoordeling van het middel
3.1 [Verkoper] heeft [koper] aangesproken tot betaling van ƒ 575,-- met wettelijke rente, alsmede ƒ 200,-- buitengerech-telijke incassokosten. Zij heeft aan deze vordering ten grond-slag gelegd dat [koper] van haar een ijskast, een vrieskast en verlichting heeft ge-kocht, welke zaken ook aan haar zijn afge-leverd, en dat zij van het totaal ver-schuldigde bedrag van ƒ 1.398,-- een bedrag van ƒ 575,-- onbetaald heeft ge-laten. [Koper] heeft deze vordering bestreden, waartoe zij onder meer heeft aan-gevoerd dat zij nooit in de winkel van [verkoper] is geweest.
3.2 Bij tussenvonnis heeft de Kantonrechter [verkoper] toegela-ten te bewij-zen dat [koper] in de winkel van [verkoper] op of om-streeks 9 april 1996 een ijskast, een vrieskast en verlichting heeft gekocht voor een totaal bedrag van ƒ 1.398,--.
Ter uitvoering van deze bewijsopdracht heeft [verkoper] op 15 oktober 1998 twee getuigen doen horen, te weten [getuige 1] en [getuige 2]; [koper] heeft toen zichzelf als partijgetuige doen horen. Dadelijk na het afleg-gen van die verklaringen heeft de Kantonrechter ten aanzien van ieder van de getuigen een proces-verbaal ter zake van verdenking van meineed doen opma-ken. In haar eindvonnis van 21 december 1998 heeft zij dienaangaande over-wogen dat gezien de tegenstrijdigheden in de getuigenverklaringen tegen alle getuigen aangifte van meineed is gedaan (rov. 2.4).
3.3 In haar eindvonnis heeft de Kantonrechter voorts overwogen (rov. 2.5) dat op grond van de verklaringen van de door [verkoper] voorgebrachte getui-gen moet worden geoordeeld dat [verkoper] in het haar opgedragen bewijs is geslaagd, en dat de enkele verklaring van [koper] als partijgetuige onvoldoende moet worden geoordeeld om haar lezing van de feiten als de juiste aan te ne-men. Op grond van dit een en ander heeft de Kanton-rechter de vordering van [verkoper] toegewezen, zoals hiervoor onder 1 is vermeld.
3.4 Uit de omstandigheid dat de Kantonrechter de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] verdenkt van meineed, kan niet anders worden afgeleid dan dat zij die verklaringen niet als betrouw-baar heeft beschouwd. Nu de Kantonrech-ter in haar eindvonnis geen nadere gegevens heeft vermeld waaruit zou kunnen volgen dat deze verdenking ten onrechte blijkt te hebben bestaan, is sprake van een innerlijke tegenstrijdigheid in dat vonnis, doordat de Kantonrechter tevens heeft overwogen dat op grond van deze verklaringen moet worden geconclu-deerd dat [verkoper] in het haar opgedragen bewijs is geslaagd. Het middel dat klaagt dat het vonnis niet de gronden inhoudt waarop het be-rust, is derhalve gegrond.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt het vonnis van de Kantonrechter te Groenlo van 21 december 1998;
verwijst het geding naar de Rechtbank te Zutphen ter ver-dere behande-ling en beslissing;
veroordeelt [verkoper] in de kosten van het geding in cas-satie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [koper] begroot op ƒ 4.144,56 in totaal, waarvan ƒ 4.025,81 op de voet van art. 57b Rv. te voldoen aan de griffier, en ƒ 118,75 aan [koper].
Dit arrest is gewezen door de raadsheren Neleman, als voorzitter, De Savornin Lohman en Kop, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer Heemskerk op 21 januari 2000.