ECLI:NL:HR:2000:AA4062

Hoge Raad

Datum uitspraak
5 januari 2000
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
34878
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • Pos
  • Beukenhorst
  • Monné
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:5 AwbArt. 6:6 AwbArt. 5a Wet administratieve rechtspraak belastingzaken
Verwijzingen
3 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep in cassatie tegen navorderingsaanslag vermogensbelasting 1994

Belanghebbende kreeg voor het jaar 1994 een navorderingsaanslag in de vermogensbelasting opgelegd, waarvan de Inspecteur de aanslag en de kwijtschelding handhaafde na bezwaar. Het Hof vernietigde deels de uitspraak van de Inspecteur en verminderde de aanslag met het bedrag van de verhoging. Belanghebbende stelde beroep in cassatie in tegen het arrest van het Hof.

Het beroepschrift in cassatie voldeed niet aan de eis van artikel 6:5, lid 1, letter d, Awb, omdat de gronden van het beroep ontbraken. De Hoge Raad gaf belanghebbende de mogelijkheid dit binnen zes weken te herstellen. De aanvulling op het beroepschrift werd echter pas na de gestelde termijn ontvangen. Hoewel belanghebbende een faxverzendrapport overlegde dat een stuk op de laatste dag van de termijn zou zijn verzonden, bleek uit onderzoek dat de fax niet was ontvangen.

De Hoge Raad oordeelde dat het verzuim niet tijdig was hersteld en dat er geen andere gronden waren om het arrest van het Hof te vernietigen. Daarom werd belanghebbende niet-ontvankelijk verklaard in het beroep in cassatie. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Belanghebbende wordt niet-ontvankelijk verklaard in het beroep in cassatie wegens niet tijdig herstel van het verzuim.

Uitspraak

Nr. 34878
5 januari 2000
gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 10 november 1998 betreffende na te melden navorderingsaanslag in de vermogensbelasting.
1. Aanslag, navorderingsaanslag en geding voor het Hof
Nadat aan belanghebbende voor het jaar 1994 aanvankelijk een aanslag in de vermogensbelasting was opgelegd naar een vermogen van f 248.000,--, is haar vervolgens voor dat jaar in die belasting een navorderingsaanslag opgelegd naar een vermogen van f 395.000,--, met een verhoging van 100 percent van de nagevorderde belasting waarvan bij het opleggen van de aanslag een kwijtschelding van 75 percent is verleend.
Op het door belanghebbende gemaakte bezwaar heeft de Inspecteur de navorderingsaanslag gehandhaafd en het kwijtscheldingsbesluit bevestigd. Belanghebbende is van de uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij het Hof.
Het Hof heeft de uitspraak van de Inspecteur gedeeltelijk vernietigd en de aanslag verminderd met het daarin begrepen bedrag van de verhoging. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een vertoogschrift ingediend.
Bij brief van 21 oktober 1999 heeft de gemachtigde van belanghebbende enige bescheiden betreffende de verzending per fax van stukken van zijn kantoor aan de griffier van de Hoge Raad gezonden.
3. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep in cassatie
3.1. Het beroepschrift in cassatie bevat, hoewel artikel 6:5, lid 1, letter d, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) zulks vereist, niet de gronden van het beroep. Bij aangetekende brief van 22 december 1998, heeft de griffier van de Hoge Raad belanghebbende in de gelegenheid gesteld dit verzuim binnen zes weken na de dagtekening van deze brief te herstellen. De termijn voor het herstel van dit verzuim eindigde op 2 februari 1999.
3.2. Op 11 februari 1999, derhalve na genoemde datum, is van de gemachtigde van belanghebbende een aanvulling op het beroepschrift in cassatie ter griffie van de Hoge Raad binnengekomen. Nu bovenaan dat geschrift "faxbericht 2 februari 1999" staat, heeft de griffier van de Hoge Raad bij de gemachtigde geïnformeerd naar een mogelijke verzending per fax vóór 11 februari 1999. Bij brief van 21 oktober 1999 heeft de gemachtigde een verzendrapport en een journaal van zijn faxapparaat aan de Hoge Raad gezonden. Op beide staat vermeld dat op 2 februari 1999 een stuk - overigens van drie bladzijden, niet van vier zoals het op 11 februari 1999 per post ontvangen geschrift - naar een van de faxnummers van de Hoge Raad is verzonden. Uit een ter griffie ingesteld onderzoek blijkt echter dat noch op dat nummer noch op een ander faxnummer van de Hoge Raad op of omstreeks 2 februari 1999 een van de gemachtigde afkomstig stuk per fax is ontvangen.
3.3. Nu herstel van het verzuim derhalve niet voor of op genoemde datum heeft plaatsgevonden en de Hoge Raad ook ambtshalve niet is gebleken van een grond waarop 's Hofs uitspraak zou behoren te worden vernietigd, zal de Hoge Raad, gezien het bepaalde in artikel 6:6 van Pro voormelde wet, belanghebbende in het beroep in cassatie niet-ontvankelijk verklaren.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.
5. Beslissing
De Hoge Raad verklaart belanghebbende niet-ontvankelijk in haar beroep.
Dit arrest is op 5 januari 2000 vastgesteld door de raadsheer Pos als voorzitter, en de raadsheren Beukenhorst en Monné, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier De Bruin, en op die datum in het openbaar uitgesproken.