Uitspraak
21 september 1999.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van een opgeëiste persoon tegen een uitspraak van de Arrondissementsrechtbank te Zwolle die de uitlevering aan de Bondsrepubliek Duitsland toelaatbaar heeft verklaard. De opgeëiste persoon werd verdacht van feiten die in de uitleveringsaanvraag waren omschreven.
Het cassatieberoep richtte zich op het ontbreken van een proces-verbaal van de zitting van 10 februari 1999. De Advocaat-Generaal concludeerde tot verwerping van het beroep. De Hoge Raad constateerde dat het proces-verbaal inmiddels alsnog was nagezonden en aan de raadsman van de opgeëiste persoon was toegezonden, waardoor het middel feitelijk zijn grondslag verloor.
De Hoge Raad oordeelde dat er geen reden was om de uitspraak ambtshalve te vernietigen en verwierp het beroep. Hiermee bleef de uitlevering aan Duitsland in stand.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de uitlevering aan Duitsland blijft toegestaan.