Uitspraak
[woonplaats].
aSv in de procedure heeft gevoegd.
14 december 1999.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, waarin verdachte werd veroordeeld voor valsheid in geschrift, maar geen straf werd opgelegd. Het hof vernietigde een eerder verstekvonnis en stelde vast dat verdachte in april 1994 een 'Application Form Joint Research Projects' valselijk had opgemaakt door de naam van een derde, de projectleider, onder het document te plaatsen met het oogmerk het als echt te gebruiken.
De verdediging voerde aan dat verdachte bevoegd was om namens de derde te ondertekenen en dat het plaatsen van diens naam geen materiële valsheid opleverde omdat het document zonder die naam hetzelfde effect had. Het hof oordeelde echter dat het plaatsen van de handtekening van een ander onder een waarheidsgetrouw document een onjuist beeld geeft over de identiteit van de auteur en daarmee strafbaar is volgens art. 225 Sr Pro.
Het cassatieberoep richtte zich onder meer tegen het niet-ontvankelijk verklaren van een verzoek tot het horen van een getuige en tegen het niet gemotiveerd beslissen op een juridisch bewijsverweer. De Hoge Raad verwierp deze middelen en bevestigde het oordeel van het hof. Het beroep werd verworpen, waarmee de strafrechtelijke aansprakelijkheid van verdachte voor valsheid in geschrift werd bekrachtigd, ondanks dat geen straf werd opgelegd.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling voor valsheid in geschrift blijft in stand zonder strafoplegging.