ECLI:NL:HR:1999:ZD1568

Hoge Raad

Datum uitspraak
12 oktober 1999
Publicatiedatum
8 april 2013
Zaaknummer
111.401
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • Haak
  • Orie
  • Balkema
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 82 SrArt. 302 SrArt. 359 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor zware mishandeling met honkbalknuppel met gebroken jukbeen en gescheurde oogkas

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem waarin verdachte werd veroordeeld voor zware mishandeling door met een honkbalknuppel krachtig tegen het hoofd van het slachtoffer te slaan, waarbij zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht in de vorm van een gebroken jukbeen en gescheurde oogkas.

Het hof had het vonnis van de rechtbank Zutphen vernietigd en de straf gematigd tot twee maanden gevangenisstraf voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en 180 uur onbetaalde arbeid. Tevens werd een schadevergoeding van ƒ 2446,- aan het slachtoffer toegewezen.

De Hoge Raad oordeelde dat het hof terecht in de bewijsvoering een ambtsedig proces-verbaal had gebruikt waarin werd verklaard dat er foto's van het gezicht van het slachtoffer waren gemaakt, zonder dat de foto's zelf als bewijs werden gebruikt. Daarnaast bevestigde de Hoge Raad dat de vaststelling van zwaar lichamelijk letsel aan het oordeel van de feitenrechter is voorbehouden en dat het hof de bewezenverklaring voldoende had gemotiveerd op basis van medische verklaringen en röntgenologisch onderzoek.

De overige middelen van cassatie werden verworpen wegens gebrek aan grondslag en het beroep werd geheel verworpen.

Uitkomst: Hoge Raad verwerpt cassatie en bevestigt veroordeling voor zware mishandeling met honkbalknuppel en toebrenging van zwaar lichamelijk letsel.

Uitspraak

12 oktober 1999
Strafkamer
nr. 111.401
SM
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Arnhem van 25 augustus 1998 alsmede tegen alle op de terechtzitting van dit Hof gegeven beslissingen in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1970, wonende te
[woonplaats].
1. De bestreden einduitspraak
1.1. Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Zutphen van 30 september 1997 - de verdachte ter zake van "zware mishandeling" veroordeeld tot twee maanden gevangenis straf, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, alsmede tot het verrichten van onbetaalde arbeid ten algemenen nutte voor de duur van éénhonderdtachtig uren, in plaats van vier maanden gevangenisstraf. Voorts heeft het Hof de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] toegewezen tot een bedrag van ƒ 2446,-, met afwijzing van het meer of anders gevorderde.
1.2. Het verkorte arrest alsmede de aanvulling daarop als bedoeld in art. 365a, tweede lid, Sv zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.
2. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte.
Namens deze heeft mr J. Kuijper, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld.
De Advocaat-Generaal Van Dorst heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van het eerste middel
3.1. Het middel is gericht tegen het als bewijsmiddel door het Hof gebruikte ambtsedige proces-verbaal voorzover de verbalisant daarin verklaart:
"Op 11 juli 1997 deed bij mij aangifte [slachtoffer] . De aangever verklaarde dat hij met een honkbalknuppel was geslagen door [verdachte] . Tijdens de "aangifte zijn twee foto's gemaakt van het gezicht van de aangever. Deze foto's worden bij dit proces-verbaal gevoegd".
3.2. Anders dan in het middel wordt verondersteld heeft het Hof niet de bij de politie gemaakte foto's tot bewijs gebezigd, maar slechts in de bewijsvoering opgenomen de verklaring van de verbalisant dat er foto's zijn gemaakt van het gezicht van de aangever. Niet valt in te zien waarom deze toevoeging in de weg zou staan aan een behoorlijke redengeving van de bewezenverklaring.
3.3. Het middel kan dus niet tot cassatie leiden.
4. Beoordeling van het tweede middel
4.1. Het middel bevat de klacht dat het Hof zwaar lichamelijk letsel bewezen heeft verklaard, terwijl de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen daartoe niet redengevend zijn en de bewezenverklaring mitsdien onvoldoende met redenen is omkleed.
4.2. Vooropgesteld moet worden dat de vaststelling of door een verdachte toegebracht lichamelijk letsel als zwaar kan worden aangemerkt in belangrijke mate is voorbehouden aan het oordeel van de rechter die over de feiten oordeelt.
's Hofs bewezenverklaring dat de verdachte zwaar lichamelijk letsel in de vorm van een gebroken jukbeen en een gescheurde oogkas heeft toegebracht door het slachtoffer opzettelijk met een honkbalknuppel krachtig tegen diens hoofd te slaan, berust onder meer op een ambtsedig verklaring van een brigadier van politie, inhoudende een gedetailleerde verklaring van een kaakchirurg van hetgeen deze mede aan de hand van een röntgenologisch onderzoek heeft geconstateerd met betrekking tot het aan het slachtoffer toegebrachte letsel, alsmede welke medische handelingen bij in het ziekenhuis heeft moeten verrichten aan het slachtoffer (reponeren van het jukbeen in algehele anaesthesie).
4.3. Het Hof heeft derhalve de bewezenverklaring zonder blijk te geven van een onjuiste rechtsopvat ting op toereikende gronden gemotiveerd. Het middel is dan ook ondeugdelijk.
5. Beoordeling van het derde en van het vierde middel
De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gelet op art. 101
aRO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid en de rechtsontwikkeling.
6. Slotsom
Nu geen van de middelen tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.
7. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president Haak als voorzitter, en de raadsheren Orie en Balkema, in bijzijn van de griffier Bakker, en uitgesproken op
12 oktober 1999.