Uitspraak
[woonplaats].
12 januari 1999.
Hoge Raad
De Hoge Raad behandelt een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam waarin verdachte werd veroordeeld voor deelname aan een criminele organisatie en ambtelijke corruptie. Het hof had verdachte vrijgesproken van deelname aan de organisatie, maar veroordeelde hem tot vier jaar en zes maanden gevangenisstraf voor het aannemen van giften als ambtenaar.
Het cassatiemiddel betrof het gebruik van telefoongesprekken tussen een medeverdachte en diens advocaat als bewijs. De Hoge Raad oordeelde dat deze gesprekken onder het verschoningsrecht vallen en derhalve niet als bewijs mogen worden gebruikt. Het hof had deze inhoud ten onrechte in het bewijs betrokken, waardoor de bewezenverklaring onvoldoende gemotiveerd is.
De Hoge Raad vernietigt daarom het arrest voor zover het de veroordeling betreft en verwijst de zaak naar het Gerechtshof Den Haag voor hernieuwde behandeling. Het beroep wordt voor het overige verworpen. Hiermee wordt het belang van het verschoningsrecht en de bescherming van vertrouwelijke communicatie met advocaten benadrukt.
Uitkomst: Het arrest wordt vernietigd voor de veroordeling wegens onrechtmatig bewijsgebruik en de zaak wordt verwezen voor hernieuwde berechting.