ECLI:NL:HR:1999:ZC3206

Hoge Raad

Datum uitspraak
26 maart 1999
Publicatiedatum
8 april 2013
Zaaknummer
R98/082
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • vice-president Mijnssen
  • raadsheer Neleman
  • raadsheer Heemskerk
  • raadsheer Van der Putt-Lauwers
  • raadsheer Fleers
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:306 BWArt. 3:307 BWArt. 3:308 BWArt. 61 ABWArt. 65 ABW
Verwijzingen
1 uitgaand · 39 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Terugvordering bijstand in geldlening en verjaring van de vordering

In deze zaak ging het om de terugvordering van bijstand die door de gemeente Vlissingen was verstrekt aan [verweerder] in de vorm van een geldlening van ƒ 25.000,--. De gemeente vorderde terugbetaling na beëindiging van het bedrijf van [verweerder]. De Kantonrechter en de Rechtbank wezen het verzoek van de gemeente af vanwege verjaring van de vordering.

De Hoge Raad oordeelde dat de Algemene Bijstandswet geen eigen regeling kent voor de verjaring van terugvorderingen van bijstand in de vorm van geldleningen. De rechtsverhouding is een civielrechtelijke overeenkomst, waarbij de terugbetalingsverplichting kwalificeert als een verbintenis tot geven volgens art. 3:307 BW Pro, met een verjaringstermijn van vijf jaar na opeisbaarheid.

De Hoge Raad bevestigde dat de vordering opeisbaar werd bij beëindiging van het bedrijf van [verweerder] op 1 februari 1988, en dat de gemeente pas later tot terugvordering kon overgaan na een bestuursrechtelijk besluit. Dit doet echter niet af aan de civielrechtelijke opeisbaarheid van de vordering.

Verder verwierp de Hoge Raad bezwaren van de gemeente dat sprake zou zijn van twee leningen in plaats van één, en dat betaling van rente via inhouding op uitkering als erkenning van schuld kon gelden. Ook het beroep op rechtsverwerking faalde omdat stilzitten onvoldoende is.

De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep van de gemeente en veroordeelt haar in de kosten van het geding.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat de vordering van de gemeente is verjaard.

Uitspraak

26 maart 1999
Eerste Kamer
Rek.nr. R98/082HR
AS
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
De Gemeente Vlissingen,
gevestigd te Vlissingen,
VERZOEKSTER tot cassatie,
advocaat: mr T. Cohen Jehoram,
t e g e n
[verweerder],
wonende te [woonplaats],
VERWEERDER in cassatie,
advocaat: mr M.J. van Basten Batenburg.
1. Het geding in feitelijke instanties
Met een op 15 mei 1997 ter griffie van het Kantongerecht te Middelburg ingekomen verzoekschrift heeft verzoekster tot cassatie — verder te noemen: de Gemeente — zich gewend tot de Kantonrechter aldaar strekkende tot terugvordering van verweerder in cassatie — verder te noemen: [verweerder] — van een bedrag van ƒ 25.000,-- op grond van de Algemene Bijstandswet.
[verweerder] heeft het verzoek bestreden.
De Kantonrechter heeft bij beschikking van 7 oktober 1997 het verzoek afgewezen.
Tegen deze beschikking heeft de Gemeente hoger beroep ingesteld bij de Rechtbank te Middelburg.
Bij beschikking van 25 maart 1998 heeft de Rechtbank voormelde beschikking van de Kantonrechter bekrachtigd.
De beschikking van de Rechtbank is aan deze beschikking gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen de beschikking van de Rechtbank heeft de Gemeente beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
[verweerder] heeft verzocht de Gemeente niet-ontvankelijk te verklaren in haar cassatieberoep, althans het beroep te verwerpen.
De conclusie van de Advocaat-Generaal Hartkamp strekt tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van het middel
3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) De gemeente heeft in maart en november 1986 aan [verweerder] op de voet van de Rijksgroepsregeling zelfstandigen bijstand verleend in de vorm van een geldlening tot een bedrag van ƒ 25.000,--.
(ii) [verweerder] heeft te dier zake op 10 maart 1986 en op 3 december 1986 schuldbekentenissen getekend. Volgens die akten was de lening bestemd tot bedrijfskrediet. Op een bij de akte van schuldbekentenis van 3 december 1986 gevoegde bijlage is bepaald dat het bedrag van de lening terstond en in zijn geheel dient te worden terugbetaald indien zich een of meer van de in die bijlage genoemde gevallen voordoet, waaronder het geval van bedrijfsbeëindiging.
(iii) Op 1 februari 1988 heeft [verweerder] zijn bedrijf beëindigd.
(iv) De gemeente heeft tot 1 februari 1989 op een aan [verweerder] verstrekte uitkering rente ingehouden die hij ter zake van de lening verschuldigd was.
(v) De gemeente heeft [verweerder] bij brieven van 18 juni 1991, 15 oktober 1993 en 28 maart 1996, geschreven dat hij het bedrag van ƒ 25.000,-- aan de gemeente diende terug te betalen. Bij brief van 28 maart 1996 heeft de gemeente [verweerder] tot betaling gesommeerd.
(vi) Op 2 mei 1997 hebben Burgemeester en Wethouders besloten om op de voet van art. 83 lid 1 Abw Pro over te gaan tot terugvordering van het bedrag van ƒ 25.000,-- omdat [verweerder] niet had voldaan aan zijn uit art. 65 en Pro 66 lid 7 Abw voortvloeiende verplichtingen.
(vii) Het tot terugbetaling van meergenoemd bedrag strekkende verzoekschrift is op 15 mei 1997 ter griffie van het Kantongerecht ingekomen.
3.2 De Kantonrechter heeft het verzoek van de gemeente afgewezen. Daartoe heeft de Kantonrechter geoordeeld dat de vordering van de gemeente wellicht reeds opeisbaar is geworden op 1 februari 1988, toen het bedrijf van [verweerder] werd beëindigd, maar in ieder geval omstreeks 18 juni 1991, op welke datum de gemeente [verweerder] heeft aangeschreven tot betaling en [verweerder] niet heeft voldaan aan zijn verplichting om inlichtingen te verstrekken. Ingevolge art. 3:307 dan Pro wel 3:308 BW is de vordering van de gemeente derhalve reeds in 1994, dan wel in juni 1996 verjaard.
De Rechtbank heeft de tegen de beschikking van de Kantonrechter aangevoerde grieven verworpen. Samengevat weergegeven heeft de Rechtbank daartoe het volgende overwogen. De vordering van de gemeente is opeisbaar geworden op 1 februari 1988 toen Bouhao zijn bedrijf beëindigde. Met betrekking tot de verjaring van een vordering als de onderhavige zijn de regels van het Burgerlijk Wetboek van toepassing nu de Algemene bijstandswet te dier zake geen bijzondere regeling kent. Het gaat in het onderhavige geval om een geldlening zodat de rechtsvordering van de gemeente er een is tot nakoming van een verbintenis tot een geven. Derhalve is art. 3:307 van Pro toepassing. Nu de verjaring niet is gestuit, is de vordering van de gemeente verjaard op 2 februari 1993. Daartegen keert zich het middel.
3.3 De Algemene bijstandwet kende geen eigen regeling met betrekking tot verjaring of verval van de rechtsvordering van de gemeente tot terugbetaling van het bedrag van een geldlening die zij in het kader van bijstandsverlening heeft verstrekt. Daarom dient, zoals ook het middel tot uitgangspunt neemt, de vraag of de rechtsvordering van de gemeente is verjaard, te worden beantwoord aan de hand van de regels betreffende verjaring in het Burgerlijk Wetboek.
Onderdeel a van het middel komt echter op tegen het oordeel van de Rechtbank in haar rov. 3.2 dat art. 3:307 van Pro toepassing is. Het strekt ten betoge dat de onderhavige lening is verstrekt in het kader van verlening van bijstand, dus op grond van een bestuursrechtelijk besluit. Zodanige lening wordt beheerst door eigen publiekrechtelijke regels. Dat de bijstand is gegoten in de vorm van een lening doet niet af aan het publiekrechtelijk karakter ervan. Een lening als de onderhavige is daarom volgens het onderdeel niet onderworpen aan de in art. 3:307 bedoelde Pro verjaring maar aan de verjaring bedoeld in art. 3:306. De vordering verjaart daarom eerst na verloop van 20 jaar.
Het onderdeel faalt. Waar de Algemene bijstandwet in de art. 4, 4a en 7a in de destijds geldende tekst sprak, en art. 21 en Pro 22 Abw thans spreken, van bijstand in de vorm van een geldlening, had en heeft zij het oog op de overeenkomst naar burgerlijk recht, hoezeer ook door de gemeente aangegaan op grond van een bestuursrechtelijk besluit, bij welke overeenkomst deze de betrokkene een som geld ter leen verstrekt. De verbintenis van deze laatste om de door hem ter leen ontvangen som terug te betalen moet dan ook worden gekwalificeerd als een uit een overeenkomst voortvloeiende verbintenis tot een geven zoals bedoeld in art. 3:307. Dit brengt mee dat, zoals de Rechtbank met juistheid heeft beslist, de onderhavige vordering van de gemeente is onderworpen aan de in laatstgenoemde bepaling vervatte verjaringstermijn van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de vordering opeisbaar is geworden.
3.4 Onderdeel b van middel I strekt ten betoge dat de Rechtbank ten onrechte art. 3:307 lid 1 en Pro niet het tweede lid van die bepaling heeft toegepast. De verbintenis van [verweerder], aldus het onderdeel, was er een tot nakoming na onbepaalde tijd.
Het onderdeel faalt omdat in het oordeel van de Rechtbank dat de vordering van de gemeente door de beëindiging van het bedrijf door [verweerder] opeisbaar is geworden besloten ligt dat de verbintenis vóór dat opeisbaar worden van de vordering niet er een was tot nakoming na onbepaalde tijd. Dit oordeel geeft niet van een onjuiste rechtsopvatting blijk. Het is niet onbegrijpelijk en behoefde geen nadere motivering.
3.5 Onderdeel c van Middel I is gericht tegen rov. 3.3 van de Rechtbank, waar zij het betoog van de gemeente verwerpt dat haar vordering eerst opeisbaar werd nadat Burgemeester en Wethouders een besluit tot terugvordering hadden genomen.
De Rechtbank heeft haar oordeel dat de vordering van de gemeente reeds op 1 februari 1988 opeisbaar is geworden, gegrond op een aan de Rechtbank, als rechter die over de feiten oordeelt, voorbehouden uitlegging van hetgeen de gemeente en [verweerder] zijn overeengekomen. Die uitlegging is in het licht van de hiervoor in 3.1 onder (ii) vermelde bijlage bij de schuldbekentenis, waarin is bepaald dat in geval van beëindiging van het bedrijf van [verweerder] de vordering terstond opeisbaar zou worden, en in het licht van de onder 8 van de conclusie van het Openbaar Ministerie genoemde circulaire van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 13 november 1986, geenszins onbegrijpelijk. Daaraan doet niet af dat de gemeente volgens art. 61, in verband met art. 71a (oud) ABW eerst tot terugvordering in rechte kon overgaan na een daartoe strekkend besluit van Burgemeester en Wethouders.
3.6 Middel II is gericht tegen het oordeel van de Rechtbank in haar rov. 3.2 dat sprake is van een lening van ƒ 25.000,--. Het middel betoogt dat sprake is van twee leningen te weten van ƒ 10.000,--, verstrekt in maart 1986, en van ƒ 15.000,-- verstrekt in december 1986. Alleen ten aanzien van laatstvermelde lening geldt volgens het middel dat zij opeisbaar werd bij beëindiging van het bedrijf van [verweerder].
De Rechtbank heeft kennelijk geoordeeld dat sprake was van één lening waarvan het bedrag aan [verweerder] ter beschikking is gesteld in twee gedeeltes van onderscheidenlijk ƒ 10.000,-- en ƒ 15.000,-- en dat voor de gehele lening geldt dat zij opeisbaar zou zijn bij beëindiging van het bedrijf. Dat oordeel berust op de aan de Rechtbank voorbehouden uitlegging van hetgeen tussen de gemeente en [verweerder] is overeengekomen. Onbegrijpelijk is dat oordeel niet. Het behoefde geen nadere motivering.
3.7 Middel IV, dat de Hoge Raad thans eerst behandelt, is gericht tegen het oordeel van de Rechtbank in haar rov. 3.2 dat betaling van rente door [verweerder] tot 1 februari 1989, door inhouding op zijn uitkering, niet kan worden opgevat als erkenning van zijn schuld als bedoeld in art. 2019 (oud) BW. Het middel faalt omdat de enkele omstandigheid dat [verweerder] zich niet heeft verzet tegen inhouding van rente door de gemeente op zijn uitkering, niet kan worden aangemerkt als erkentenis door [verweerder] van de vordering van de gemeente. Het door het middel bestreden oordeel van de Rechtbank is derhalve juist zodat het middel faalt.
3.8 Middel III verwijt de Rechtbank dat zij niet heeft beslist op de essentiële stelling van de gemeente dat [verweerder] zijn rechten heeft verwerkt doordat hij de vordering van de gemeente heeft erkend en het besluit van de gemeente van 22 mei 1995 formele rechtskracht heeft verkregen. Voorzover het middel klaagt dat de Rechtbank het verweer van de gemeente dat [verweerder] haar vordering heeft erkend, niet in haar beoordeling heeft betrokken, mist het feitelijke grondslag omdat de Rechtbank, naar blijkt uit hetgeen hiervoor onder 3.7 is overwogen, heeft geoordeeld dat van erkenning geen sprake is.
Voorzover het middel de Rechtbank verwijt dat zij is voorbij gegaan aan het verweer van de gemeente dat [verweerder] zijn recht om zich op verjaring te beroepen heeft verwerkt, faalt het reeds omdat de feiten en omstandigheden waarop de gemeente haar beroep op rechtsverwerking grondt, neerkomen op een enkel stilzitten van [verweerder] en een enkel stilzitten onvoldoende grond oplevert om rechtsverwerking aan te nemen.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt de gemeente in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] begroot op ƒ 3.140,-- in totaal, waarvan ƒ 2.992,50 op de voet van art. 57b Rv. te voldoen aan de griffier, en ƒ 147,50 te voldoen aan [verweerder].
Deze beschikking is gegeven door de vice-president Mijnssen als voorzitter en de raadsheren Neleman, Heemskerk, Van der Putt-Lauwers en Fleers, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer Heemskerk op
26 maart 1999.