Uitspraak
AS
26 maart 1999.
Hoge Raad
In deze zaak ging het om de terugvordering van bijstand die door de gemeente Vlissingen was verstrekt aan [verweerder] in de vorm van een geldlening van ƒ 25.000,--. De gemeente vorderde terugbetaling na beëindiging van het bedrijf van [verweerder]. De Kantonrechter en de Rechtbank wezen het verzoek van de gemeente af vanwege verjaring van de vordering.
De Hoge Raad oordeelde dat de Algemene Bijstandswet geen eigen regeling kent voor de verjaring van terugvorderingen van bijstand in de vorm van geldleningen. De rechtsverhouding is een civielrechtelijke overeenkomst, waarbij de terugbetalingsverplichting kwalificeert als een verbintenis tot geven volgens art. 3:307 BW Pro, met een verjaringstermijn van vijf jaar na opeisbaarheid.
De Hoge Raad bevestigde dat de vordering opeisbaar werd bij beëindiging van het bedrijf van [verweerder] op 1 februari 1988, en dat de gemeente pas later tot terugvordering kon overgaan na een bestuursrechtelijk besluit. Dit doet echter niet af aan de civielrechtelijke opeisbaarheid van de vordering.
Verder verwierp de Hoge Raad bezwaren van de gemeente dat sprake zou zijn van twee leningen in plaats van één, en dat betaling van rente via inhouding op uitkering als erkenning van schuld kon gelden. Ook het beroep op rechtsverwerking faalde omdat stilzitten onvoldoende is.
De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep van de gemeente en veroordeelt haar in de kosten van het geding.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat de vordering van de gemeente is verjaard.