Uitspraak
18 juni 1999.
Hoge Raad
De zaak betreft een geschil over de opzegging van een huurovereenkomst door de verhuurder wegens dringend eigen gebruik van de woning. De verhuurder vordert ontruiming van de woning omdat hij deze dringend nodig heeft voor zichzelf en zijn echtgenote, mede vanwege medische redenen en de slechte staat van hun huidige woning.
De kantonrechter wees de vordering af, maar de rechtbank stelde de verhuurder in het gelijk na een deskundigenonderzoek en descente, waarbij werd geoordeeld dat de verhuurder de woning dringend nodig heeft, mede op grond van toekomstige medische beperkingen.
De huurders stelden cassatie in tegen dit oordeel. De Hoge Raad oordeelt dat toekomstige omstandigheden wel degelijk relevant kunnen zijn bij de beoordeling van dringend eigen gebruik en dat de rechtbank geen onjuiste rechtsopvatting heeft gehanteerd. Ook het belang van de huurders bij de investeringen in de woning weegt niet zwaarder dan de medische noodzaak van de verhuurder.
Het beroep wordt verworpen en de huurders worden veroordeeld in de kosten van het cassatiegeding.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de huurders wordt verworpen en de ontruiming van de woning wordt bevestigd wegens dringend eigen gebruik.