Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:1999:AE8721

Hoge Raad

Datum uitspraak
16 juni 1999
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
34473
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • vice-president Stoffer
  • raadsheer Pos
  • raadsheer Beukenhorst
  • raadsheer Monné
  • raadsheer Kop
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 101a Wet op de rechterlijke organisatieArt. 5a Wet administratieve rechtspraak belastingzaken
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt afwijzing bezwaar navorderingsaanslag inkomstenbelasting 1990

Belanghebbende kreeg voor het jaar 1990 een navorderingsaanslag inkomstenbelasting opgelegd met een verdubbelingsverhoging, waartegen bezwaar werd gemaakt. De Inspecteur handhaafde de aanslag en de weigering van kwijtschelding. Het Hof Arnhem bevestigde deze beslissing na behandeling van het beroep.

Belanghebbende stelde in cassatie meerdere klachten in, waaronder over de hoorzitting, bewijswaardering en de verdeling van de bewijslast. De Hoge Raad oordeelde dat het Hof niet ambtshalve getuigenverklaringen hoefde op te nemen en dat klachten over de bewijswaardering en bewijslastverdeling niet tot cassatie konden leiden omdat deze oordelen van feitelijke aard zijn.

Verder wees de Hoge Raad het beroep af dat de redelijke termijn was overschreden, waarbij werd verduidelijkt dat de termijn pas begint te lopen vanaf het moment dat een strafvervolging of een daarmee gelijkgestelde handeling wordt ingesteld. De Hoge Raad zag geen gronden voor proceskostenveroordeling en verwierp het beroep in cassatie.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het Hof Arnhem bevestigd.

Uitspraak

Nr. 34.473
16 juni 1999
TB
gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 19 mei 1998 betreffende de aan hem over het jaar 1990 opgelegde aanslag tot navordering van inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.
1. Aanslag, navorderingsaanslag en geding voor het Hof
Aan belanghebbende is aanvankelijk voor het jaar 1990 een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 61.280,--.
Vervolgens is hem over dat jaar een navorderingsaanslag opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 144.320,--, met een verhoging van 100 percent van de nagevorderde belasting, waarvan de Inspecteur geen kwijtschelding heeft verleend. Hiertegen heeft belanghebbende bezwaar gemaakt. De Inspecteur heeft de navorderingsaanslag en het kwijtscheldingsbesluit gehandhaafd.
Belanghebbende is van de uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij het Hof. Het Hof heeft die uitspraak bevestigd.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld en daarbij enige klachten aangevoerd.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een vertoogschrift ingediend.
3. Beoordeling van de klachten
3.1. De eerste klacht faalt. Uit 's Hofs uitspraak of de stukken van het geding blijkt niet van verzoeken van belanghebbende om de bij de mondelinge behandeling van de zaak door het Hof aanwezige ambtenaar E als getuige te horen dan wel van diens bij die gelegenheid afgelegde verklaringen proces-verbaal op te maken, en het Hof was daartoe niet ambtshalve gehouden. Over de aan het Hof voorbehouden vaststelling van de hoedanigheid waarin de ambtenaar ter zitting is verschenen, te weten tot bijstand van de Inspecteur, en over hetgeen door hem ter zitting is verklaard, kan in cassatie niet met vrucht worden geklaagd.
3.2. De tweede klacht, betreffende 's Hofs vaststelling dat belanghebbendes schoonzoon A door partijen ook B is genoemd, kan niet tot cassatie leiden omdat die vaststelling niet (mede) dragend is voor 's Hofs oordelen omtrent de geschilpunten.
3.3. Het Hof heeft belanghebbendes lezing onwaar-schijnlijk en ongeloofwaardig geoordeeld (onderdeel 4.6 van zijn uitspraak) en geoordeeld dat door de Inspecteur aannemelijk is gemaakt dat het in 1986 in Zwitserland in contanten opgenomen bedrag aan belanghebbende persoonlijk ten goede is gekomen (onderdeel 4.7). Aldus heeft het Hof een op zijn waardering van de, door het college in onderlinge samenhang beschouwde, bewijsmiddelen berustend oordeel van feitelijke aard gegeven, hetwelk in cassatie niet op zijn juistheid kan worden getoetst en dat geen nadere motivering behoefde. Daarvan uitgaande heeft het Hof vervolgens geoordeeld dat het op de weg van belanghebbende als meest gerede partij ligt bewijs bij te brengen voor zijn stelling dat het in 1986 ter beschikking staande vermogen hem in 1990 niet meer, of niet meer in die omvang, toebehoorde (onderdeel 4.7). Bij dit oordeel is het Hof, gelet op de omstandigheden van het geval, niet uitgegaan van een onjuiste verdeling van de bewijslast. Ten slotte heeft het Hof geoordeeld dat belanghebbende in dat bewijs niet is geslaagd. Dat oordeel, dat eveneens berust op 's Hofs waardering van de bewijsmiddelen, kan in cassatie niet op zijn juistheid worden getoetst en behoefde geen nadere motivering. Voorzover de klachten de voormelde oordelen bestrijden, falen zij derhalve.
3.4. De naar aanleiding van een beroep op overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM te beoordelen termijn vangt aan op het moment dat door een bevoegde Nederlandse autoriteit een "criminal charge" wordt uitgebracht in de zin van voormeld artikel, waaronder te begrijpen het door of vanwege een zodanige autoriteit verrichten van een handeling waaruit de betrokkene in redelijkheid kan opmaken dat die autoriteit het ernstige voornemen heeft tegen hem een strafvervolging in te stellen. Onder het instellen van een strafvervolging is in dit verband ook te verstaan het opleggen van een verhoging. Eerst vanaf dat tijdstip is de Nederlandse Staat gehouden te voldoen aan zijn uit artikel 1 EVRM Pro voortvloeiende verplichting de zaak tegen de betrokkene te behandelen binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM (vgl. HR 2 juni 1998, NJ 1998, 769). De klacht dat het Hof in deze zaak ten onrechte de vertraging, veroorzaakt door de Duitse autoriteiten, buiten beschouwing heeft gelaten, faalt.
3.5. Ook voor het overige kunnen de klachten niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 101a van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering nu de klachten in zoverre niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.
5. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is op 16 juni 1999 vastgesteld door de vice-president Stoffer als voorzitter, en de raadsheren Pos, Beukenhorst, Monné en Kop, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Fehmers, en op die datum in het openbaar uitgesproken.