ECLI:NL:HR:1999:AA4207
Hoge Raad
- Cassatie
- vice-president Stoffer
- raadsheer Korthals Altes
- raadsheer Pos
- raadsheer Beukenhorst
- raadsheer Monné
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt onderscheid in vermogensbelasting tussen gehuwden en ongehuwden niet in strijd met discriminatieverbod
Belanghebbende was tegen de aanslag vermogensbelasting 1992 in bezwaar gegaan, welke door de Inspecteur en het Hof werd gehandhaafd. In cassatie betoogde belanghebbende dat het onderscheid in de Wet op de vermogensbelasting 1964 tussen gehuwde en ongehuwde belastingplichtigen in strijd was met het discriminatieverbod van artikel 26 van Pro het Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR).
De Hoge Raad overwoog dat de wetgever bij de wijziging van de vermogensbelasting in 1985 bewust het onderscheid handhaafde, omdat gehuwden fiscaal als economische eenheid worden gezien, terwijl ongehuwd samenwonenden vermogensrechtelijk geen binding hebben. De wetgever achtte een verdere differentiatie binnen deze groepen niet wenselijk vanwege uitvoerbaarheid en doelmatigheid.
De Hoge Raad concludeerde dat dit onderscheid niet neerkomt op verboden discriminatie en verwierp het cassatieberoep. Tevens werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Hiermee bevestigde de Hoge Raad het oordeel van het Hof dat het onderscheid in de vermogensbelasting gerechtvaardigd is en niet in strijd met het discriminatieverbod.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat het onderscheid in vermogensbelasting tussen gehuwden en ongehuwden niet in strijd is met het discriminatieverbod.